De functie GetSysAttr() wordt gebruikt om informatie te retourneren over de tenant en de ruimte waarin een applicatie zich bevindt. Met de functie GetSysAttr() kunt u de tenant-ID en -naam, ruimte-ID en -naam, en andere details over de omgeving waar de applicatie zich bevindt, evalueren. Deze functie vereenvoudigt de identificatie van ruimte en tenant van een Qlik Sense applicatie die mogelijk tussen verschillende omgevingen wordt verplaatst. De functie maakt het eenvoudig om de specifieke omgeving waarin u werkt te identificeren. Dit is bijzonder nuttig tijdens de ontwikkelings-, test-, acceptatie- en productiefasen (DTAP) van de levenscyclus van een applicatie.
Deze functie kan worden gebruikt in het load-script of de diagramuitdrukkingen van de applicatie, ofwel direct als een uitdrukking of in een uitdrukking die is opgeslagen als een variabele. Als u verwacht dat uw applicatie gedurende zijn levencyclus tussen ruimten of tenants zal worden verplaatst, gebruikt u de functie in een diagramuitdrukking om dynamisch ruimte- en tenantinformatie te verkrijgen zonder de applicatie opnieuw te laden. Wanneer u dit doet, slaat u de functie-uitdrukking op in een variabele buiten het load-script, of gebruikt u de functie direct in de diagramuitdrukking.
Gebruik GetSysAttr() om de volgende informatie over uw applicatie te bepalen:
De id van de tenant waar de applicatie zich bevindt.
De naam van de tenant waar de applicatie zich bevindt.
De URL van de tenant waar de applicatie zich bevindt.
De alias-URL die is gedefinieerd voor de tenant die de applicatie bevat.
De regio van de tenant die de applicatie bevat.
De id van de ruimte waar de applicatie zich bevindt.
De naam van de ruimte waar de applicatie zich bevindt.
Het type ruimte (gedeeld of beheerd) waar de applicatie zich bevindt.
De GetSysAttr()-functie kan direct in het load-script worden gebruikt of in een diagramuitdrukking. In beide gevallen kunt u de functie gebruiken om kenmerken in een variabele op te slaan of rechtstreeks zonder een variabele.
Als u deze functie gebruikt in Qlik Sense met clientbeheer, retourneert hij alleen lege gegevenswaarden. Daarom kunt u de functie gebruiken om scripts te ontwikkelen in Qlik Sense met clientbeheer zonder fouten, met de intentie om de applicaties later te uploaden naar Qlik Cloud.
Syntaxis:
GetSysAttr(name)
Retourgegevenstypen: dubbele waarde
Argumenten
Argument
Beschrijving
name
De naam van het kenmerk dat u moet worden geretourneerd. Voer in als een tekenreekswaarde in de uitdrukking. De tekenreekswaarde is hoofdlettergevoelig.
U kunt de functie gebruiken om omgevingskenmerken in uw applicatie te laden. De functie kan de volgende kenmerken retourneren:
Omgevingskenmerken die kunnen worden geretourneerd door de GetSysAttr()-functie
Kenmerk
Beschrijving
Voorbeeld van load-scriptvariabele
Voorbeeld van een diagramuitdrukking (geen variabele)
tenantId
De tenant-id.
Let vTenantID = GetSysAttr('tenantId')
=GetSysAttr('tenantId')
tenantName
De naam van de tenant.
Let vTenantName = GetSysAttr('tenantName')
=GetSysAttr('tenantName')
tenantUrl
De standaard-URL voor tenant.
Let vTenantUrl = GetSysAttr('tenantUrl')
=GetSysAttr('tenantUrl')
tenantUrlAlias
De alias-URL is gedefinieerd voor de tenant.
Let vTenantUrlAlias = GetSysAttr('tenantUrlAlias')
=GetSysAttr('tenantUrlAlias')
tenantRegion
De regio waarin de tenant zich bevindt.
Let vTenantRegion = GetSysAttr('tenantRegion')
=GetSysAttr('tenantRegion')
spaceId
De ruimte-id. Dit is alleen gedefinieerd voor een applicatie in een gedeelde of beheerde ruimte.
Informatie
Als de functie GetSysAttr() een lege spaceId-waarde retourneert in Qlik Cloud, geeft dit aan dat de applicatie zich in een persoonlijke ruimte bevindt.
De functie GetSysAttr() retourneert altijd een lege spaceId-waarde als deze wordt gebruikt in Qlik Sense met clientbeheer.
Let vSpaceId = GetSysAttr('spaceId')
=GetSysAttr('spaceId')
spaceName
De naam van de ruimte. Dit is alleen gedefinieerd voor een applicatie in een gedeelde of beheerde ruimte.
Informatie
Als de functie GetSysAttr() een lege spaceName-waarde retourneert in Qlik Cloud, geeft dit aan dat de applicatie zich in een persoonlijke ruimte bevindt.
De functie GetSysAttr() retourneert altijd een lege spaceName-waarde als deze wordt gebruikt in Qlik Sense met clientbeheer.
Let vSpaceName = GetSysAttr('spaceName')
=GetSysAttr('spaceName')
spaceType
Het type ruimte waarin de applicatie zich bevindt. Dit is alleen gedefinieerd voor een applicatie in een gedeelde of beheerde ruimte.
Informatie
Als de functie GetSysAttr() een lege spaceType-waarde retourneert in Qlik Cloud, geeft dit aan dat de applicatie zich in een persoonlijke ruimte bevindt.
De functie GetSysAttr() retourneert altijd een lege spaceType-waarde als deze wordt gebruikt in Qlik Sense met clientbeheer.
Let vSpaceType = GetSysAttr('spaceType')
=GetSysAttr('spaceType')
Voorbeeld 1 – Omgevingkenmerken opslaan als load-scriptvariabelen
In dit voorbeeld definiëren we een reeks scriptvariabelen die kunnen worden gebruikt in de applicatiecontent die u maakt. Elke keer dat de applicatie opnieuw wordt geladen, worden de kenmerken beoordeeld en toegevoegd aan de applicatie.
Doe het volgende:
Maak een nieuwe Qlik Sense applicatie in een gedeelde ruimte.
Open de Editor voor laden van gegevens.
Plak het volgende load-script in een nieuw tabblad:
Transactions:
Load * inline [
id,date,amount
1,1/1/2023,500.67
2,1/2/2023,458.91
3,1/3/2023,12.34
4,1/4/2023,90.90
5,1/5/2023,256.30
6,1/6/2023,789.16
7,1/7/2023,501.25
8,1/8/2023,87.01
9,1/9/2023,161.16
10,1/10/2023,300.06
];
Let vTenantId = GetSysAttr('tenantId');
Let vTenantName = GetSysAttr('tenantName');
Let vTenantUrl = GetSysAttr('tenantUrl');
Let vTenantUrlAlias = GetSysAttr('tenantUrlAlias');
Let vTenantRegion = GetSysAttr('tenantRegion');
Let vSpaceId = GetSysAttr('spaceId');
Let vSpaceName = GetSysAttr('spaceName');
Let vSpaceType = GetSysAttr('spaceType');
Dit load-script bevat het volgende:
Een nieuwe tabel, met de naam Transactions, die voorbeeldtransactiegegevens bevat. Dit kan worden vervangen door gegevens of wordt toegevoegd als een tijdelijke aanduiding.
Een reeks scriptvariabeledefinities, voor de beschikbare kenmerken die kunnen worden opgehaald door GetSysAttr().
Laad de gegevens en open een nieuw werkblad in de geavanceerde bewerkingsmodus.
Maak een tabel en voeg de volgende uitdrukkingen toe als dimensies met hun respectievelijke labels:
=vTenantId, met label Tenant ID
=vTenantName, met label Tenant Name
=vTenantUrl, met label Tenant URL (Default)
=vTenantUrlAlias, met label Tenant URL (Alias)
=vTenantRegion, met label Tenant Region
=vSpaceId, met label Space ID
=vSpaceName, met label Space Name
=vSpaceType, met label Space Type
U hebt nu een tabel in uw applicatie die dynamisch elk van de beschikbare omgevingskenmerken weergeeft. Door de applicatie te exporteren en naar een andere tenant en ruimte te uploaden, krijgt u deze kenmerken voor de nieuw geüploade versie van de applicatie.
Voorbeeld 2 – Omgevingskenmerken uploaden als variabelen en ze in diagramuitdrukkingen gebruiken
In dit voorbeeld definiëren we verschillende variabelen met gebruik van het dialoogvenster in de geavanceerde bewerkingsmodus in plaats van dat u variabelen in het script definieert. De variabelen kunnen dan worden gebruikt in diagramuitdrukkingen in de applicatie.
Doe het volgende:
Maak een nieuwe Qlik Sense applicatie in een gedeelde ruimte.
Open een nieuw werkblad in de geavanceerde bewerkingsmodus.
Klik op om het variabelendialoogvenster te openen.
Klik op Nieuwe maken.
Voer bij NaamvTenantId in.
Voer bij Definitie=GetSysAttr('tenantId') in.
Klik op Maken.
Dit maakt een applicatievariabele waarmee de ID van de tenant wordt weergegeven. Herhaal stappen 3 t/m 6 om een variabele voor elk van de resterende kenmerken te maken. Gebruik de volgende parameters:
Tenantnaam
Naam: vTenantName
Definitie: =GetSysAttr('tenantName')
Tenant-URL
Naam: vTenantUrl
Definitie: =GetSysAttr('tenantUrl')
Tenant-URL-alias
Naam: vTenantUrlAlias
Definitie: =GetSysAttr('tenantUrlAlias')
Tenantregio
Naam: vTenantRegion
Definitie: =GetSysAttr('tenantRegion')
Ruimte-id
Naam: vSpaceId
Definitie: =GetSysAttr('spaceId')
Ruimtenaam
Naam: vSpaceName
Definitie: =GetSysAttr('spaceName')
Ruimtetype
Naam: vSpaceType
Definitie: =GetSysAttr('spaceType')
Maak een tabel en voeg elk van de volgende uitdrukkingen toe als dimensies met hun respectievelijke labels:
=vTenantId, met label Tenant ID
=vTenantName, met label Tenant Name
=vTenantUrl, met label Tenant URL (Default)
=vTenantUrlAlias, met label Tenant URL (Alias)
=vTenantRegion, met label Tenant Region
=vSpaceId, met label Space ID
=vSpaceName, met label Space Name
=vSpaceType, met label Space Type
U hebt nu een tabel in uw applicatie, die dynamisch elk van de beschikbare omgevingskenmerken weergeeft. Door de applicatie te exporteren en naar een andere tenant en ruimte te uploaden, krijgt u deze kenmerken voor de nieuw geüploade versie van de applicatie.
Het belangrijkste voordeel van het gebruik van de functie in diagramuitdrukkingen is dat de applicatie niet opnieuw hoeft te worden geladen om deze kenmerken te vernieuwen. Dit maakt een soepelere verplaatsing van applicaties tussen tenants en ruimtes mogelijk als onderdeel van de levenscyclus van de applicatie.
Voorbeeld 3 – De functie direct in het load-script gebruiken
U kunt de functie ook in uw applicaties gebruiken zonder een variabele. Dit voorbeeld laat zien hoe u een tabel kunt laden met elk kenmerk als een afzonderlijke veld. Vanaf hier kunt u visualisaties in de applicatie maken om deze details weer te geven.
Doe het volgende:
Maak een nieuwe Qlik Sense applicatie in een gedeelde ruimte.
Open de editor voor laden van gegevens.
Plak het volgende load-script in een nieuw tabblad:
Attributes:
Load RowNo() as Key,
GetSysAttr('tenantId') as TenantID,
GetSysAttr('tenantName') as TenantName,
GetSysAttr('tenantUrl') as TenantUrl,
GetSysAttr('tenantUrlAlias') as TenantUrlAlias,
GetSysAttr('tenantRegion') as TenantRegion,
GetSysAttr('spaceId') as SpaceID,
GetSysAttr('spaceName') as SpaceName,
GetSysAttr('spaceType') as SpaceType autogenerate 1;
De gegevens laden. Een tabel wordt aangemaakt in het gegevensmodel en geeft elk van de kenmerken in afzonderlijke velden weer.
Nu kunt u de kenmerkvelden in visualisaties gebruiken, zoals tabellen of tekst- en afbeeldingsobjecten.
Voorbeeld 4 – De functie direct in diagramuitdrukkingen gebruiken
U kunt de functie direct en zonder een variabele in diagramuitdrukkingen gebruiken.
Het belangrijkste voordeel van het gebruik van de functie in diagramuitdrukkingen is dat de applicatie niet opnieuw hoeft te worden geladen om deze kenmerken te vernieuwen. Dit maakt een soepelere verplaatsing van applicaties tussen tenants en ruimtes mogelijk als onderdeel van de levenscyclus van de applicatie.
Doe het volgende:
Maak een nieuwe Qlik Sense applicatie in een gedeelde ruimte.
Open een nieuw werkblad in de geavanceerde bewerkingsmodus.
Sleep een tekst- en afbeeldingsobject naar het werkblad.
Klik in het lege diagram om tekst en type toe te voegen:
Tenant-id:
Klik in het eigenschappenvenster op Meting toevoegen.
Voer de volgende uitdrukking in:
=GetSysAttr('tenantId')
Herhaal deze stappen voor de andere kenmerken op nieuwe regels, met gebruik van de uitdrukkingen die in de kenmerkentabel worden gepresenteerd in de introductie van dit helponderwerp.
Was deze pagina nuttig?
Als u problemen ervaart op deze pagina of de inhoud onjuist is – een tikfout, een ontbrekende stap of een technische fout – laat het ons weten!