Analytische verbindingen configureren in Qlik Sense Desktop

Met analytische verbindingen kunt u externe analyse in uw Business Discovery integreren. Met een analytische verbinding breidt u de uitdrukkingen uit die u in load-scripts en diagrammen kunt gebruiken door een externe reken-engine aan te roepen (de reken-engine fungeert in dat geval als een uitbreiding aan de serverzijde (SSE; server-side extension)). U kunt bijvoorbeeld een analytische verbinding met R maken en statistische uitdrukkingen gebruiken wanneer u de gegevens laadt.

Voor Qlik Sense Desktop moet de configuratie worden uitgevoerd in het bestand Settings.ini.

Doe het volgende:

  1. Open het bestand Settings.ini.

    Voor Qlik Sense Desktop is dit te vinden in C:/Gebruikers/<gebruikers-id>/Documenten/Qlik/Sense/ of in C:/Gebruikers/AppData/Local/Programs/Qlik/Sense/Engine.

    Voor Qlik Sense is het te vinden in: C:/ProgramData/Qlik/Sense/Engine/.

  2. Voeg de volgende configuratie toe (let op de lege regel aan het eind):

    [Settings 7]
    SSEPlugin=<PluginConfig>[;<PluginConfig>...]
     
  3. Hierbij is <PluginConfig> een lijst met door komma’s gescheiden configuratie-elementen die het volgende bevat:

    <EngineName>,<Address>[,<PathToCertFile>,<RequestTimeout>,<ReconnectTimeout>]

Opmerking: Na het toevoegen van nieuwe verbindingen of het wijzigen van bestaande verbindingen moet Qlik Sense Desktop opnieuw worden opgestart om de wijzigingen door te voeren.
Opmerking: Let op: de SSE-plug-inserver (server-side extension; uitbreiding aan de serverzijde) moet actief zijn voordat u Qlik Sense start, anders wordt de verbinding niet tot stand gebracht.

Qlik open-source SSE-opslagplaatsen

De volgende twee Qlik SSE-opslagplaatsen zijn open source:

  • https://github.com/qlik-oss/server-side-extension

    Bevat het SSE-protocol, algemene documentatie en voorbeelden geschreven in Python en C++.

  • https://github.com/qlik-oss/sse-r-plugin

    Bevat een R-plug-in geschreven in C#, alleen de broncode. U moet de plug-in eerst maken voordat deze kan worden gebruikt.

Beschrijving van de elementen

<EngineName>: toewijzing/alias naar de plug-in die wordt gebruikt vanuit de uitdrukkingen in de app die gebruikmaakt van de plug-infuncties, bijvoorbeeld SSEPython voor een Python-plug-in.

<Address>: een lijst met twee door dubbele punten gescheiden elementen, en

  • <Host>: DNS-naam (of IP-adres) van de plug-in.
  • <Port>: poort waarop de plug-in luistert, gewoonlijk 50051.

<PathToCertFile>: pad van het bestandssysteem naar de map die de clientcertificaten bevat die voor veilige communicatie met de plug-in vereist zijn. Optioneel. Indien weggelaten, wordt onbeveiligde communicatie aangeroepen. Dit pad wijst naar de map waarin de certificaten zich bevinden. Zorg ervoor dat deze inderdaad naar die map zijn gekopieerd. De namen van de drie certificaatbestanden moeten als volgt zijn: root_cert.pem, sse_client_cert.pem, sse_client_key.pem. Alleen wederzijdse verificatie (server- en client-verificatie) is toegestaan.

<RequestTimeout>: geheel getal (seconden). Optioneel. De standaardwaarde is 0 (oneindig). Time-out voor berichtduur.

<ReconnectTimeout>: geheel getal (seconden). Optioneel. De standaardwaarde is 20 (seconden). Tijd voordat op de client wordt geprobeerd de plug-in opnieuw te verbinden nadat de verbinding met de plug-in is verbroken.

Examples:  

  • Voorbeeld waarbij één SSE-plug-inserver is gedefinieerd: SSEPlugin=SSEPython,localhost:50051
  • Voorbeeld waarbij twee SSE-plug-inservers zijn gedefinieerd: SSEPlugin=SSEPython,localhost:50051;R,localhost:50053
  • Voorbeeld waarbij één SSE-plug-inserver is gedefinieerd zonder certificaatpad maar met ingestelde time-outs: SSEPlugin=SSEPython,localhost:50051,,0,20