Kaarteigenschappen

U opent het eigenschappenvenster voor een visualisatie door op @Bewerken op de werkbalk te klikken en vervolgens te klikken op de visualisatie die u wilt bewerken.

Als het eigenschappenvenster verborgen is, klikt u op h in de rechterbenedenhoek om het weer te geven.

Opmerking: Als de visualisatie een é in de rechterbovenhoek heeft, is de visualisatie gekoppeld aan een masteritem. Een gekoppelde visualisatie kan niet worden bewerkt, maar u kunt het masteritem wel bewerken. U kunt ook de koppeling van de visualisatie ongedaan maken om de visualisatie bewerkbaar te maken.
Opmerking: Sommige instellingen in het eigenschappenvenster zijn alleen beschikbaar onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld als u meer dat één dimensie of meting gebruikt of als u een optie selecteert waardoor andere opties beschikbaar komen.

Algemene eigenschappen

Kaartinstellingen

  • Basiskaart: Selecteer de basiskaart voor het kaartdiagram. De volgende opties zijn beschikbaar:
    • Standaard: een op OpenStreetMap gebaseerde kaart gebruiken.
    • Wit: een blekere versie van de Standaard-kaart gebruiken.
    • Satelliet: een satellietbeeldkaart gebruiken.
    • Geen: geen kaart voor de basiskaart gebruiken. Deze selectie moet worden gebruikt als een achtergrondlaag aan de kaart zal worden toegevoegd. Voor Geen wordt de achtergrondkleur van het huidige thema gebruikt, of wordt de gedefinieerde waarde voor mapChart.backgroundColor in het huidige thema gebruikt.
  • Projectie: Hiermee stelt u de projectie in die op de kaart voor locaties wordt gebruikt en definieert u welk soort coördinaten er op de kaart wordt gebruikt. Door elke basiskaart wordt een set projecties ondersteund. De volgende projecties zijn beschikbaar:
    • Mercator: De kaart weergeven door middel van een mercatorprojectie. Voor mercatorprojecties zijn WGS-84-coördinaten vereist.

      Beschikbaar voor basiskaarten van de typen Standaard, Wit, Satelliet en Geen.

    • Adaptief: de kaart weergeven in een adaptieve projectie, waarmee gebieden dicht bij de polen minder worden uitvergroot als er wordt uitgezoomd.

      Beschikbaar voor basiskaarten van de typen Standaard en Wit.

    • Ongedefinieerd, graden: De kaart weergeven op basis van coördinaten in een op graden gebaseerd coördinatensysteem. Als u een aangepaste basiskaart gebruikt met aangepaste coördinaten die graden gebruiken, selecteert u deze optie.

      Alle instellingen in Locatie, met uitzondering van Locatieveld, zijn niet compatibel met deze projectie.

      Beschikbaar met Geen.

    • Ongedefinieerd, meter: De kaart weergeven op basis van coördinaten in een op graden gebaseerd coördinatensysteem. Als u een aangepaste basiskaart gebruikt met aangepaste coördinaten die meters gebruiken, selecteert u deze optie.

      Alle instellingen in Locatie, met uitzondering van Locatieveld, zijn niet compatibel met deze projectie.

      Beschikbaar met Geen.

  • Kaarttaal:hiermee stelt u de taal in voor de labels op de kaart.
    • Automatisch: Engelse labels gebruiken (indien beschikbaar) wanneer de kaartweergave wordt uitgezoomd en labels in de plaatselijke taal gebruiken als er wordt ingezoomd.
    • Lokaal: labels gebruiken in de plaatselijke taal van het weergegeven land of de weergegeven regio, indien beschikbaar.

      Engels: Engelse labels gebruiken, indien beschikbaar.

  • Kaarteenheden:Hiermee stelt u de meeteenheid voor de kaart in. De volgende opties zijn beschikbaar:
    • Metrisch
    • Engels
  • Selectiemethode:hiermee stelt u in hoe gebruikers meerdere waarden op de kaart kunnen selecteren terwijl ze Shift ingedrukt houden:
    • Geen: multiselectie op de kaart met de Shift-toets en door te klikken en slepen met de cursor uitschakelen.
    • Cirkel met afstand:Selecteren door vanaf een middenpunt in een cirkel naar buiten te slepen. De straal van de cirkel wordt gemeten en weergegeven.
    • Lasso: selecteren door de omtrek van een gebied te trekken.
  • Automatisch zoomen: hiermee stelt u in of de kaart inzoomt op een geselecteerde locatie wanneer de selectie wordt gewijzigd.
  • Standaardweergave instellen:hiermee stelt u de huidige weergave van de kaart in als standaardweergave van de kaart bij het openen van de app.

Uiterlijk

Algemeen

  • Titels tonen:hiermee schakelt u titels, ondertitels en voetnoten op de kaart in of uit.

    Voer een Titel, Ondertitel en Voetnoot in. De tekenreeks wordt standaard geïnterpreteerd als een teksttekenreeks. U kunt het tekstveld echter ook gebruiken voor een uitdrukking of een combinatie van tekst en uitdrukking. Een isgelijkteken (=) aan het begin van een tekenreeks geeft aan dat deze een uitdrukking bevat.

    Klik op 3 als u een uitdrukking wilt maken met de uitdrukkingseditor.

    Example:  

    Stel dat de volgende tekenreeks wordt gebruikt, inclusief aanhalingstekens: 'Sales: ' & Sum(Sales).

    De tekenreeks wordt standaard geïnterpreteerd als teksttekenreeks en wordt weergegeven zoals in het voorbeeld. Maar als u de tekenreeks begint met een isgelijkteken: (='Sales: ' & Sum(Sales)), wordt de tekenreeks als een uitdrukking geïnterpreteerd. De uitvoer is vervolgens Sales: <value of expression>, waarbij <value of expression> de berekende waarde is.

  • Details tonen: stel deze optie in op Tonen als u wilt dat gebruikers kunnen kiezen of ze details willen bekijken, zoals beschrijvingen, metingen en dimensies.

Alternatieve states

  • State: Stel de state in die u op de visualisatie wilt toepassen. U kunt het volgende selecteren:Elke alternatieve state die in Masteritems is gedefinieerd.<overgenomen>, in welk geval de voor het werkblad gedefinieerde state wordt gebruikt.<standaard-state>, wat staat voor de state wanneer er geen alternatieve state wordt toegepast. Zie Alternatieve states gebruiken voor vergelijkende analyse voor meer informatie over alternatieve states.

Legenda

  • Legenda tonen: Hiermee geeft u de legenda voor alle lagen weer of verbergt u deze.
  • Legendapositie: Hiermee stelt u de plaats van de legenda ten opzichte van de kaart in.

Presentatie

  • Navigatie: hiermee geeft u boven de kaart navigatieknoppen weer voor pannen, zoomen en terugkeren naar de oorspronkelijke positie.
  • Schaalbalk tonen: selecteer deze optie om een schaalbalk voor de kaart weer te geven.

    Zoomniveaus beperken: Hiermee stelt u de zoomgrenzen voor de kaart in.

    Bij de instelling Geen kan de kaart worden in- en uitgezoomd tot de voorgedefinieerde grenzen van de basiskaart.

    Bij de instelling Aangepast kunt u met de schuifbalk grenzen instellen:

    • Stel de uitzoomgrens in door de linkerkant van de schuifbalk bij te stellen.
    • Stel de inzoomgrens in door de rechterkant van de schuifbalk bij te stellen.
  • Pannen beperken:hiermee stelt u limieten in voor verticale en horizontale bewegingen in de kaartweergave, en stelt u limieten in voor in- en uitzoomen op de kaart.

    Bij de instelling Geen is het pannen onbeperkt.

    Bij de instelling Aangepast stelt u de panlimiet in op de huidige weergave van de kaart door op Panlimiet instellen te klikken. Wanneer een panlimiet is ingesteld, kunnen gebruikers de kaartweergave niet buiten de grenzen van de huidige weergave verplaatsen of uitzoomen voorbij het huidige zoomniveau.

  • Informatie foutopsporing tonen: hiermee geeft u de resolutie, de schaal, het zoomniveau en de coördinaten van het midden van het weergegeven gebied weer.

Laageigenschappen

Gegevens (puntlaag, gebiedslaag, lijnlaag en dichtheidslaag)

  • Dimensies
    • Veld: Het veld of de uitdrukking die als dimensie voor de laag is geselecteerd. Met de dimensie worden doorgaans de locaties in de laag gedefinieerd. U kunt echter het veld wijzigen waarmee locaties worden gedefinieerd in de instellingen voor Locatie.
    • Label: Geef een label op voor de dimensie. Als u een veld hebt toegevoegd vanuit Velden in het bedrijfsmiddelenvenster, wordt de veldnaam automatisch weergegeven.
    • Bevat null-waarden: Selecteer deze optie voor het opnemen van null-waarden op de kaart. Standaard is deze optie ingeschakeld.

Gegevens (diagramlaag)

  • Dimensies
    • Veld: Het veld of de uitdrukking die als dimensie voor de laag is geselecteerd. Met de eerste dimensie worden doorgaans de locaties in de laag gedefinieerd. U kunt het veld waarmee locaties worden gedefinieerd echter wijzigen in de instellingen voor Locatie. Met de tweede dimensie wordt de dimensie van de diagrammen van de laag gedefinieerd.
    • Label: Geef een label op voor de dimensie. Als u een veld hebt toegevoegd vanuit Velden in het bedrijfsmiddelenvenster, wordt de veldnaam automatisch weergegeven.
    • Bevat null-waarden: Selecteer deze optie voor het opnemen van null-waarden op de kaart. Standaard is deze optie ingeschakeld.
    • Beperking: Beperkt het aantal weergegeven waarden. Als u een beperking instelt, worden alleen de dimensies weergegeven waarbij de metingswaarde voldoet aan het beperkingscriterium:
      • Geen beperking: De standaardwaarde.
      • Vast getal: Hiermee selecteert u de weergave van de bovenste of onderste waarden. Het aantal weergegeven waarden instellen. U kunt ook een uitdrukking gebruiken om het getal in te stellen. Klik op 3 om de uitdrukkingseditor te openen.
      • Exacte waarde: Gebruik de operatoren om de exacte grenswaarde in te stellen. U kunt ook een uitdrukking gebruiken om het getal in te stellen. Klik op 3 om de uitdrukkingseditor te openen.
      • Relatieve waarde: Gebruik de operatoren om de relatieve grenswaarde in procenten in te stellen. U kunt ook een uitdrukking gebruiken om het getal in te stellen. Klik op 3 om de uitdrukkingseditor te openen.
      • Berekend voor meting: <measure>: wordt getoond wanneer u een beperking oplegt aan het aantal weergegeven dimensiewaarden. De dimensies worden weergegeven waarvan de metingwaarde aan het criterium voldoet.
    • Overige weergeven: Indien geselecteerd geeft de laatste waarde van de visualisatie (grijs) een overzicht van alle resterende waarden. Als er een beperking is ingesteld (Vast getal, Exacte waarde of Relatief getal) telt de waarde als 1 in die instelling. Als bijvoorbeeld Exacte waarde wordt gebruikt en is ingesteld op 10, is de tiende waarde Overige.
    • Label Overige: Voer een label in voor de samengevatte waarden (als Overige weergeven is geselecteerd). U kunt ook een uitdrukking als label gebruiken.
  • Metingen
    • Uitdrukking: Het veld of de uitdrukking die als meting voor de diagrammen in de laag is geselecteerd.
    • Label: Voer een label voor de meting in. Als u een veld hebt toegevoegd vanuit Velden in het bedrijfsmiddelenvenster, wordt de veldnaam automatisch weergegeven.
    • Getalnotatie: Selecteer deze optie voor het opnemen van null-waarden op de kaart. Standaard is deze optie ingeschakeld.

Gegevens (achtergrondlaag)

  • Label: stel de naam van de achtergrondlaag op de kaart in.
  • URL: Voer de URL in naar een server met schuifkaarten of tegelkaarten. U moet ${z}, ${x}, ${y} in de URL gebruiken om de juiste tegel te selecteren. Bijvoorbeeld:http://tile.openstreetmap.org/${z}/${x}/${y}.png. De URL is een uitdrukking en als de URL wordt gewijzigd, worden de achtergrondgegevens opnieuw geladen.

    De kaartserver moet tegels produceren in hetzelfde projectietype als voor de kaart is ingesteld bij Projectie in Kaartinstellingen om de laaggegevens correct weer te geven.

  • Toekenning: voer de toekenningstekenreeks in voor de kaart in URL. Escape-tekens in HTML-stijl, zoals &copy, en HTML-koppelingen (<a>-elementen met href -kenmerken) zijn toegestaan.

Sorteren (puntlaag, gebiedslaag, dichtheidslaag en diagramlaag)

Klik op de naam van de dimensie om de instellingen te openen en klik op de sorteerknop om naar Aangepast sorteren te gaan. Met sorteren wordt de volgorde bepaald waarin de kaartlocaties worden toegevoegd. Als u bijvoorbeeld drie overlappende punten in een laag hebt, wordt met sorteren bepaald welk punt als bovenste wordt weergegeven. Met sorteren wordt ook bepaald welke locaties in een laag worden weergegeven als u het aantal zichtbare kaartobjecten beperkt met Max. aantal zichtbare objecten. De sortering is oplopend of aflopend. De volgende sorteeropties zijn beschikbaar:

  • Sorteren op uitdrukking: Voer een uitdrukking in om op te sorteren.
  • Numeriek sorteren
  • Alfabetisch sorteren

Ook kunt u sorteren op laadvolgorde door over te schakelen naar Aangepast en alle sorteeropties niet geselecteerd te laten.

Als u een aangepaste volgorde voor een veld instelt, zal die aangepaste volgorde elke in Sortering geselecteerde interne sorteervolgorde negeren. Zie De volgorde van dimensiewaarden aanpassen.

Locatie

  • (Alleen lijnlagen) Hiermee stelt u in welk soort gegevens voor de lijnen worden gebruikt.

    • Begin- en eindpunt: Door deze optie te selecteren worden twee velden gebruikt om de begin- en eindpunten in te stellen. Indien geselecteerd, worden aparte secties in Locatie toegevoegd voor de locatie-instellingen voor het beginpunt en het eindpunt.
    • Lijngeometrie: Door deze optie te selecteren wordt lijngeometrie in de GeoJSONLineString- of MultiLineString-indeling voor een veld gebruikt. Indien geselecteerd, worden alle andere locatie-instellingen vervangen door Veld voor lijngeometrie.
  • Lengte- en breedtegraadvelden: (alleen punt-, lijn-, dichtheids- en diagramlagen) Door deze optie te selecteren worden afzonderlijke lengte- en breedtegraadvelden gebruikt.

    Indien geselecteerd, wordt Locatieveld vervangen door de volgende velden:

    • Breedtegraad: (alleen punt-, lijn-, dichtheids- en diagramlagen) Voer het veld of de uitdrukking met de breedtegraadgegevens in.
    • Lengtegraad: (alleen punt-, lijn-, dichtheids- en diagramlagen) Voer het veld of de uitdrukking met de lengtegraadgegevens in.
  • Locatieveld: Voer het veld of de uitdrukking in met de locaties die in deze laag moeten worden gebruikt. Het veld kan geometrieën bevatten of de namen van locaties zoals landen, steden of postcodes. Ga voor meer informatie naar Uw eigen kaartgegevens laden.

    Opmerking:

    Als er meerdere locaties zijn gekoppeld aan dimensiewaarden, moet u een aangepast zoekniveau voor locaties instellen of een uitdrukking met kwalificaties gebruiken.

  • Zoekniveau voor locaties: Hiermee stelt u het zoekniveau voor locatienamen in dat door het kaartdiagram wordt gebruikt om te zoeken naar waarden in het Locatieveld. Op deze manier wordt de nauwkeurigheid verbeterd wanneer de naam van een locatie niet wereldwijd uniek is of als u één locatie per dimensiewaarde wilt hebben.

    • Automatisch: hiermee stelt u het zoekniveau voor locaties in op alle typen locaties.
    • Aangepast: hiermee stelt u het zoekniveau voor locaties in op een aangepaste reeks locaties.
      • Soort locatie: selecteer het type locatie voor het veld Locatieveld.

        • Automatisch: alle typen locaties.
        • Continent: namen van continenten
        • Land: namen van landen.
        • Landcode (ISO 2): ISO alpha 2-landcodes.
        • Landcode (ISO 3): ISO alpha 3-landcodes.
        • Bestuurlijk gebied (niveau 1): namen van bestuursgebieden op het eerste niveau, zoals de naam van een staat of provincie.
        • Bestuurlijk gebied (niveau 2): namen van bestuursgebieden op het tweede niveau.
        • Bestuurlijk gebied (niveau 3): namen van op twee na hoogste bestuursgebieden.
        • Bestuurlijk gebied (niveau 4): namen van op drie na hoogste bestuursgebieden.
        • Postcode: postcodes.
        • Gemeente: naam van de woongemeente.
        • Luchthavencode (IATA): IATA-luchthavencodes.
        • Luchthavencode (ICAO): ICAO-luchthavencodes.
      • Land: voer een veld of uitdrukking in met landnamen of landcodes voor de locaties in Locatieveld.
      • Bestuurlijk gebied (niveau 1): voer een veld of uitdrukking in met namen of codes voor hoogste bestuursgebieden voor de locaties in Locatieveld.
      • Bestuurlijk gebied (niveau 2): voer een veld of uitdrukking in met namen of codes voor op een na hoogste bestuursgebieden voor de locaties in Locatieveld.

Grootte en vorm (puntlaag)

  • Grootte op basis van: Voer een veld of uitdrukking in voor het instellen van de grootte van het symbool. De minimum- en maximumwaarden in de gegevens worden toegewezen aan de minimum- en maximumgrootte van het veld in Groottebereik <Symbol>, tenzij het Bereik is ingesteld op Aangepast.
  • Label: hiermee stelt u een label in voor de eigenschap Grootte op basis van.
  • Groottebereik <Symbol>: hiermee stelt u een minimale en maximale groottelimiet in voor het geselecteerde symbool voor de puntlaag.
  • Bereik: hiermee stelt u de waardelimieten in voor het groottebereik.

    • Automatisch: het groottebereik voor het symbool wordt toegewezen aan de minimum- en maximumwaarde van het veld Grootte op basis van.
    • Aangepast: Het groottebereik voor het symbool wordt toegewezen aan de minimum- en maximumwaarden die zijn ingesteld bij Minimumgrootte en Maximumgrootte. Voor waarden groter dan de minimum- en maximumwaarden worden dezelfde instellingen gebruikt als de minimum- en maximumwaarden.
  • Vorm: Selecteer de vorm voor uw puntlaag. De volgende vormen zijn beschikbaar:
    • Bel

    • Driehoek

    • Vierkant

    • Vijfhoek

    • Zeshoek

Grootte en vorm (diagramlaag)

  • Cirkeldiagram
    • Grootte op basis van: Voer een veld of uitdrukking in voor het instellen van de grootte van de cirkeldiagrammen. De minimum- en maximumwaarden in de gegevens worden toegewezen aan de minimum- en maximumgrootte van de cirkeldiagrammen, tenzij het Bereik is ingesteld op Aangepast.
    • Label: hiermee stelt u een label in voor de eigenschap Grootte op basis van.
    • Groottebereik cirkeldiagram hiermee stelt u een minimale en maximale groottelimiet in voor de cirkeldiagrammen in de diagramlaag.
    • Bereik: hiermee stelt u de waardelimieten in voor het groottebereik.
      • Automatisch: het groottebereik wordt toegewezen aan de minimum- en maximumwaarde van het veld Grootte op basis van.
      • Aangepast: het groottebereik wordt toegewezen aan de minimum- en maximumwaarden die zijn ingesteld bij Minimumgrootte en Maximumgrootte. Voor waarden groter dan de minimum- en maximumwaarden worden dezelfde instellingen gebruikt als de minimum- en maximumwaarden.
  • Staafdiagram
    • Hoogte: Stel een hoogte in voor de staafdiagrammen in de diagramlaag.
    • Breedte: Stel een breedte in voor de staafdiagrammen in de diagramlaag.

Dikte en stijl(alleen lijnlagen)

  • Dikte per: Voer een veld of uitdrukking in voor het instellen van de breedte van de lijnen. De minimum- en maximumwaarden in de gegevens worden toegewezen aan de minimum- en maximumgrootte van het veld in Diktebereik lijngrootte, tenzij het Bereik is ingesteld op Aangepast.

  • Label: hiermee stelt u een label in voor de eigenschap Breedte op basis van.
  • Diktebereik lijngrootte: als u Dikte per gebruikt, stelt u hiermee de minimum- en maximumdikte van de lijnen in.

  • Lijndikte: hiermee stelt u de dikte van de lijnen in.
  • Bereik: hiermee stelt u de waardelimieten voor de lijndikte in.

    • Automatisch: het diktebereik voor de lijn wordt toegewezen aan de minimum- en maximumwaarde van het veld Dikte per.
    • Aangepast: Het diktebereik voor de lijn wordt toegewezen aan de minimum- en maximumwaarden die zijn ingesteld bij Minimale lijnwaarde en Maximale lijnwaarde. Voor waarden groter dan de minimum- en maximumwaarden worden dezelfde instellingen gebruikt als de minimum- en maximumwaarden.
  • Lijnkromming: hiermee stelt u de kromming van de lijnen in de lijnlaag in.
  • Pijl: Hiermee stelt u de stijl van de pijlen voor de lijnen in. De volgende opties zijn beschikbaar:

    • Geen: er wordt geen pijl aan de lijn toegevoegd.
    • Vooruit: er wordt een pijl toegevoegd in de richting van het laatste punt van de lijn.
    • Achteruit: er wordt een pijl toegevoegd in de richting van het eerste punt van de lijn.
    • Beide: er worden pijlen toegevoegd in zowel de richting van het eerste als het laatste punt van de lijn.
  • Pijlpositie: hiermee stelt u de positie van de pijl op de lijn in.

Gewicht en straal (alleen dichtheidslaag)

  • Gewicht op basis van: Voer een veld of uitdrukking in om te controleren hoeveel elk punt bijdraagt aan de dichtheid. De standaardwaarde voor gewicht is 1.
  • Label: hiermee stelt u een label in voor de eigenschap Gewicht op basis van.
  • Invloedsstraal: hiermee stelt u de straal in van het cirkelvormige gebied dat elk punt beïnvloedt. De maateenheid voor de straal wordt ingesteld door Eenheid voor straal.
  • Eenheid voor straal: hiermee stelt u de maateenheid in voor de invloedsstraal. De volgende opties zijn beschikbaar:
    • Pixels: pixels op scherm.
    • Meter: meter op kaart.
    • Voet: voet op kaart.

Kleuren (puntlaag, gebiedslaag, lijnlaag, diagramlaag en achtergrondlaag)

  • Kleuren: Selecteer hoe de kaartwaarden worden gekleurd. Er zijn twee instellingen:
    • Automatisch: Hiermee worden de kaartwaarden gekleurd met de standaardinstellingen.
    • Aangepast: Hiermee selecteert u handmatig de methode voor het kleuren van uw waarden op de kaart. De volgende methoden zijn beschikbaar
      • Enkele kleur: Hiermee kleurt u de kaart met één kleur (standaard blauw). Als u dit selecteert, zijn de volgende instellingen beschikbaar:
        • Kleur: selecteer de kleur die u wilt gebruiken voor objecten in de laag.

        • Omtrekkleur: selecteer de omtrekkleur voor objecten in de laag.

      • Per dimensie: Hiermee kleurt u de kaart op dimensiewaarden. Er worden standaard 12 kleuren gebruikt voor de dimensies. De kleuren worden opnieuw gebruikt als er meer dan 12 dimensiewaarden zijn. Als u dit selecteert, zijn de volgende instellingen beschikbaar:

        • Dimensie selecteren: voer een veld of uitdrukking in met de waarden voor het toekennen van kleuren aan objecten in deze laag.
        • Bibliotheekkleuren: Selecteer of de kleur van de masterdimensie moeten worden gebruikt of uitgeschakeld. Deze optie is alleen beschikbaar wanneer een kleur is toegewezen aan een masterdimensie die in de visualisatie wordt gebruikt.
        • Kleuren bij selectie behouden: selecteer deze optie om kleuren gelijk te houden tussen selectiestatussen.
        • Kleurenschema: Selecteer 12 kleuren of 100 kleuren voor de verschillende waarden. De 12 kleuren kunnen allemaal worden onderscheiden door personen die bepaalde kleuren niet kunnen onderscheiden. Dit is echter niet bij alle 100 kleuren het geval.

      • Per meting:
        • Meting selecteren: selecteer de meting die moet worden gebruikt voor het toekennen van kleur aan de laag.
        • Label: voert tekst of een uitdrukking voor de meting in die in de legenda wordt weergegeven.
        • Kleurenschema: selecteer een kleurenschema op basis van de volgende opties:
          • Sequentiële kleurovergang: De overgang tussen de verschillende kleurgroepen bestaat uit verschillende schakeringen van kleuren. Hogere metingswaarden hebben een donkerder tint.

          • Opeenvolgende klassen: De overgang tussen de verschillende kleurgroepen wordt gemaakt met duidelijk verschillende kleuren.

          • Divergerende kleurovergang: Dit wordt gebruikt als u werkt met gegevens die bijvoorbeeld van laag naar hoog zijn geordend, om de relatie tussen verschillende gebieden op een kaart aan te geven. Lage en hoge waarden hebben donkere kleuren, waarden in het middenbereik zijn licht van kleur.
          • Uiteenlopende klassen: Deze kunnen worden beschouwd als een combinatie van twee opeenvolgende klassen waarbij het middenbereik is gedeeld. De twee extremen, hoog en laag, worden onderstreept door donkere kleuren met contrasterende tinten. Waarden in het middenbereik worden benadrukt door lichte kleuren.
        • Kleuren omkeren: Als u deze optie selecteert, wordt het kleurenschema omgekeerd.
        • Bereik: Hiermee stelt u het waardebereik in voor het kleuren op meting of op uitdrukking.
          • Automatisch: Het kleurbereik wordt aan de hand van de metings- of uitdrukkingswaarden bepaald.
          • Aangepast: wanneer Aangepast is geselecteerd, kunt u de Min- en Max-waarden voor het kleurbereik instellen.
      • Op uitdrukking: Hiermee kleurt u de kaart met een uitdrukking voor het definiëren van kleuren voor waarden. De ondersteunde kleurindelingen zijn: RGB, ARGB en HSL.
        • Uitdrukking: Voer de uitdrukking in die u wilt gebruiken. Klik op 3 om de uitdrukkingseditor te openen.
        • De uitdrukking is een kleurcode: Standaard geselecteerd. In de meeste gevallen kunt u deze instelling het beste behouden. Als de selectie wordt uitgeschakeld, wordt de uitdrukking als een getal geëvalueerd, dat weer wordt afgezet tegen een van de diagramovergangen.

          Ga voor meer informatie naar Kleur toekennen aan een visualisatie.

          Als kleurcodes per meting of uitdrukking worden gebruikt, kunt u het kleurbereik instellen (waarden Min en Max). Als het kleurbereik wordt ingesteld, blijven de kleuren constant over selecties en pagina's heen. Als kleurcodes per uitdrukking worden gebruikt, moet de optie De uitdrukking is een kleurcode worden uitgeschakeld om het kleurbereik te kunnen instellen.

    • Omtrekkleur: Selecteer de kleur van de omtrek van de vormen op de kaart.
    • Ondoorzichtigheid van omtrek: (alleen punt-, diagram- en gebiedslagen) Hiermee stelt u in hoe doorzichtig de omtrek van vormen op de kaart is.
  • Ondoorzichtigheid: hiermee stelt u in hoe doorzichtig de laag op de basiskaart is.

Kleuren (dichtheidslaag)

  • Segmentkleuren: Selecteer hoe het invloedsgebied van de punten wordt gekleurd. Er zijn twee instellingen:
    • Automatisch: hiermee wordt het invloedsgebied volgens de standaardinstellingen gekleurd.
    • Aangepast: hiermee selecteert u handmatig de methode waarmee het invloedsgebied op de kaart wordt gekleurd.
      • Grens toevoegen: hiermee wordt een segment aan de meter toegevoegd. Gebruik de schuifbalk of typ een uitdrukking in om de grens van het segment in te stellen. Klik op 3 om de uitdrukkingseditor te openen. U kunt meerdere segmenten toevoegen. Klik op het segment om de kleuren te wijzigen.
        • Kleurovergang: selecteer deze optie om verschillende kleurgradaties te gebruiken in de overgang tussen de segmenten.

      • Grens verwijderen: klik hier om de geselecteerde grens te verwijderen.
  • Bereik: hiermee wordt het waardebereik gedefinieerd dat wordt gebruikt om het invloedsgebied te kleuren. Er zijn twee instellingen:
    • Automatisch: hiermee wordt het waardebereik volgens de standaardinstellingen ingesteld.
    • Aangepast: hiermee kunt u handmatig het waardebereik selecteren dat wordt gebruikt om het invloedsgebied te kleuren.
      • Min.: hiermee stelt u een minimale waarde voor het bereik in. Klik op 3 als u een uitdrukking wilt maken.
      • Max.: hiermee stelt u een maximale waarde voor het bereik in. Klik op 3 als u een uitdrukking wilt maken.
  • Ondoorzichtigheid: hiermee stelt u in hoe doorzichtig de laag op de basiskaart is.

Opties

Algemeen

  • Legenda tonen: Hiermee wordt een legenda weergegeven als er genoeg ruimte op de kaart is. U kunt een grootte instellen voor de legenda of automatisch de grootte laten bepalen in Qlik Sense. De plaatsing kan worden gewijzigd met Legendapositie.
  • Knopinfo tonen: (alleen punt-, gebieds-, diagram- en lijnlagen) Hiermee wordt knopinfo getoond boven de weergegeven locaties in een laag met de waarde van de locatie.
  • Max. zichtb. objecten: (alleen punt-, gebieds-, dichtheids-, diagram- en lijnlagen) Hiermee wordt het maximale aantal locaties ingesteld dat in de laag wordt weergegeven. Het maximale aantal waarden in een kaartlaag is 50.000 voor puntlagen, 10.000 voor gebiedslagen, 20.000 voor lijnlagen, 50.000 voor dichtheidslagen en 50.000 voor diagramlagen. Standaard worden in kaartlagen maximaal 4000 waarden voor puntlagen en 1000 waarden voor andere lagen weergegeven.
  • Label tonen: (alleen punt-, gebieds-, diagram- en lijnlagen) Hiermee stelt u in of er een tekstlabel met de locaties van de laag op uw kaart wordt weergegeven.
    • Labels: hiermee stelt u het label voor de locaties in deze laag in.
    • Labelpositie: hiermee stelt u de plaats van het label ten opzichte van de locatie in.
    • Inzoomniveaus tonen: hiermee stelt u in of het label op alle zoomniveaus zichtbaar is of slechts in een bepaald bereik aan zoomniveaus.

Laagweergave

  • Laag tonen: selecteer of de laag moet worden weergegeven of verborgen.
  • Inzoomniveaus tonen: hiermee stelt u in of de laag op alle zoomniveaus zichtbaar is of slechts in een bepaald bereik aan zoomniveaus.
  • Zichtbare detailniveaus: hiermee stelt u in welke dimensies in de drill-down worden weergegeven voor deze laag.
  • Berekeningsvoorwaarde: Geef in dit tekstveld een uitdrukking op als u een voorwaarde wilt instellen. Het object wordt dan alleen weergegeven als aan de voorwaarde wordt voldaan (true). De waarde kan worden ingevoerd als berekende formule. Bijvoorbeeld: count(distinct Team)<3. Als niet aan de voorwaarde wordt voldaan, wordt het bericht of de uitdrukking weergegeven die in Weergegeven bericht is ingevoerd.

    Een berekeningsvoorwaarde komt van pas als een diagram of tabel heel groot is en daardoor de visualisatie traag reageert. Een berekeningsvoorwaarde kan dan helpen zodat bijvoorbeeld een object pas wordt weergegeven nadat de gebruiker de gegevens via filtering naar een beheersbaarder niveau heeft teruggebracht door selecties toe te passen.