Gegevensvelden selecteren

U kunt selecteren welke tabellen en velden u wilt gebruiken bij het toevoegen van gegevens of bij het bewerken van een tabel. Sommige gegevensbronnen, zoals een CSV-bestand, bevatten een enkele tabel, terwijl andere gegevensbronnen, zoals Microsoft Excel-spreadsheets of databases verschillende tabellen kunnen bevatten.

Als een tabel een koptekstrij bevat, worden veldnamen gewoonlijk automatisch gedetecteerd, maar u moet in sommige gevallen mogelijk de instelling Veldnamen wijzigen. Mogelijk moet u ook andere tabelopties wijzigen, zoals Koptekstgrootte of Tekenset om de gegevens juist te interpreteren. De tabelopties verschillen voor de verschillende typen gegevensbronnen.

Gegevens selecteren uit een database

De stappen voor het selecteren van gegevens uit een database zijn afhankelijk van hoe u verbinding maakt met de database. U kunt verbinding maken met een ODBC-stuurprogramma als DSN-bron, of u kunt direct verbinding maken via een Qlik Database-connector die deel uitmaakt van het Qlik ODBC Connector Package dat is geïnstalleerd met Qlik Sense.

Ga voor meer informatie naar ODBC.

Als u gegevens toevoegt vanuit een database, kan de gegevensbron verschillende tabellen bevatten.

Doe het volgende:

  1. Selecteer een Database in de vervolgkeuzelijst.

    Sommige selectievenster hebben geen vervolgkeuzelijst Database omdat de databasenaam wordt ingevoerd bij het configureren van de verbinding.

  2. Selecteer Eigenaar van de database.

    In de lijst met Tabellen staan de weergaven en tabellen die beschikbaar zijn in de geselecteerde database. Bij sommige databases is het opgeven van de eigenaar niet vereist in het proces voor gegevensselectie.

  3. Selecteer een tabel.

  4. Selecteer de velden die u wilt laden door het selectievakje in te schakelen naast elk veld dat u wilt laden.

    U kunt alle velden in de tabel selecteren door het vakje naast de tabelnaam in te schakelen.

    Tip: U kunt de veldnaam bewerken door op de bestaande veldnaam te klikken en een nieuwe naam te typen. Dit kan van invloed zijn op de manier waarop de tabel is gekoppeld aan andere tabellen, aangezien zij standaard aan gemeenschappelijke velden zijn gekoppeld.
  5. Selecteer extra tabellen als u gegevens hieruit wilt toevoegen.
  6. Als u uw gegevensselectie hebt voltooid, klikt u op Gegevens toevoegen om door te gaan met gegevensprofilering en aanbevelingen te bekijken voor tabelrelaties.

    Ga voor meer informatie naar Gegevenskoppelingen beheren.

    Als u de gegevens rechtstreeks in de app wilt laden, klikt u op  naast Gegevens toevoegen en schakelt u vervolgens gegevensprofilering uit. Hiermee laadt u de geselecteerde gegevens in hun huidige vorm, waarbij u de stap voor gegevensprofilering negeert, en kunt u beginnen met het maken van visualisaties. Tabellen worden gekoppeld via natuurlijke associaties, oftewel via velden met gemeenschappelijke namen.

    Ga voor meer informatie naar Associaties tussen logische tabellen.

Gegevens selecteren uit een Microsoft Excel-spreadsheet

Als u gegevens toevoegt vanuit een Microsoft Excel-spreadsheet, kan het bestand verschillende werkbladen bevatten. Elk werkblad wordt als een aparte tabel geladen. Een uitzondering zijn werkbladen die dezelfde veld-/kolomstructuur hebben als een ander werkblad of geladen tabel. Hierbij worden de tabellen aaneengeschakeld.

Ga voor meer informatie naar Gegevens uit Microsoft Excel-spreadsheets laden.

Doe het volgende:

  1. Controleer of u over de juiste instellingen voor het werkblad beschikt:

    Instelling om u te helpen bij het juist interpreteren van de tabelgegevens
    UI-item Beschrijving
    Veldnamen Kies of de tabel Ingesloten veldnamen of Geen veldnamen bevat. Gewoonlijk bevat de eerste rij in een Excel-spreadsheet de ingesloten veldnamen. Als u Geen veldnamen selecteert, krijgen velden de naam A, B, C enz.

    Koptekstgrootte

    Stel dit in op het aantal rijen dat moet worden weggelaten als tabelkop. Gewoonlijk zijn dit rijen die algemene informatie bevatten die niet in kolomvorm wordt weergegeven.

  2. Selecteer het eerste werkblad waaruit u gegevens wilt selecteren. U kunt alle velden in een werkblad selecteren door het vakje naast de werkbladnaam in te schakelen.

  3. Selecteer de velden die u wilt laden door het selectievakje in te schakelen naast elk veld dat u wilt laden.

    Tip: U kunt de veldnaam bewerken door op de bestaande veldnaam te klikken en een nieuwe naam te typen. Dit kan van invloed zijn op de manier waarop de tabel is gekoppeld aan andere tabellen, aangezien zij standaard aan gemeenschappelijke velden zijn gekoppeld.
  4. Als u uw gegevensselectie hebt voltooid, klikt u op Gegevens toevoegen om door te gaan met gegevensprofilering en aanbevelingen te bekijken voor tabelrelaties.

    Als u de gegevens rechtstreeks in de app wilt laden, klikt u op  naast Gegevens toevoegen en schakelt u vervolgens gegevensprofilering uit. Hiermee laadt u de geselecteerde gegevens in hun huidige vorm, waarbij u de stap voor gegevensprofilering negeert, en kunt u beginnen met het maken van visualisaties. Tabellen worden gekoppeld via natuurlijke associaties, oftewel via velden met gemeenschappelijke namen.

Gegevens selecteren uit een tabelbestand

U kunt gegevens uit een groot aantal gegevensbestanden toevoegen.

Doe het volgende:

  1. Controleer of het juiste bestandstype is geselecteerd in Bestandstype.
  2. Controleer of u over de juiste instellingen voor het bestand beschikt. Verschillende bestandstypen hebben verschillende bestandsinstellingen.

    Ga voor meer informatie naar Instellingen voor bestandstypen kiezen.

  3. Selecteer de velden die u wilt laden door het selectievakje in te schakelen naast elk veld dat u wilt laden. U kunt ook alle velden in een bestand selecteren door het vakje naast de werkbladnaam in te schakelen.

    Tip: U kunt de veldnaam bewerken door op de bestaande veldnaam te klikken en een nieuwe naam te typen. Dit kan van invloed zijn op de manier waarop de tabel is gekoppeld aan andere tabellen, aangezien zij standaard aan gemeenschappelijke velden zijn gekoppeld.
  4. Als u uw gegevensselectie hebt voltooid, klikt u op Gegevens toevoegen om door te gaan met gegevensprofilering en aanbevelingen te bekijken voor tabelrelaties.

    Opmerking: Als u de gegevens rechtstreeks in de app wilt laden, klikt u op  naast Gegevens toevoegen en schakelt u vervolgens gegevensprofilering uit. Hiermee laadt u de geselecteerde gegevens in hun huidige vorm, waarbij u de stap voor gegevensprofilering negeert, en kunt u beginnen met het maken van visualisaties. Tabellen worden gekoppeld via natuurlijke associaties, oftewel via velden met gemeenschappelijke namen.

Instellingen voor bestandstypen kiezen

Tabelbestanden met scheidingstekens

Deze instellingen worden gevalideerd voor tabelbestanden met scheidingstekens, die een enkele tabel bevatten waarin elke record op een nieuwe regel staat en elk veld is gescheiden met een scheidingsteken, bijvoorbeeld een CSV-bestand.

Instellingen voor bestandsindelingen

Instellingen voor bestandsindeling voor tabelbestanden met scheidingstekens
UI-item Beschrijving
Bestandsindeling voor tabelbestanden met scheidingstekens

Stel in op Met scheidingstekens of Vaste record.

Als u een selectie maakt, past het venster met selectiegegevens zich aan de door u geselecteerde bestandsindeling aan.

Veldnamen Kies of de tabel Ingesloten veldnamen of Geen veldnamen bevat.

Delimiter

Stel het Scheidingsteken in dat moet worden gebruikt in het tabelbestand.

Aanhalingstekens

Gebruik deze om op te geven hoe moet worden omgegaan met aanhalingstekens:

Geen = aanhalingstekens worden die geaccepteerd

Standaard = standaardgebruik voor aanhalingstekens (aanhalingstekens kunnen worden gebruikt als eerste en laatste teken van een veldwaarde)

MSQ = aanhalingstekens in moderne stijl (waardoor meerregelige inhoud in velden mogelijk wordt)

Koptekstgrootte

Stel het aantal regels in dat moet worden overgeslagen als tabelkoptekst.

Tekenset

Stel de tekenset in die moet worden gebruikt in het tabelbestand.

Opmerking

In gegevensbestanden kunnen opmerkingen tussen records staan. Deze worden aangegeven door een of meer speciale tekens aan het begin van de regel, bijvoorbeeld //.

Geef een of meer tekens op die aangeven dat er een opmerkingsregel volgt. Regels die beginnen met de hier aangegeven tekens, worden niet geladen door Qlik Sense.

EOF negeren Selecteer EOF negeren als uw gegevens tekens voor einde bestand bevat als deel van een veldwaarde.

Gegevensbestanden met vaste records

Gegevensbestanden met vaste records bevatten een enkele record (rij met gegevens) en een aantal kolommen met vaste veldgrootte, meestal opgevuld met spaties of tabtekens.

Afbreekposities in velden instellen

U kunt de afbreekposities in velden op twee manieren instellen:

  • De afbreekposities gescheiden door komma's handmatig invoeren in Afbreekposities in velden. Elke positie markeert het begin van een veld.

    Example: 1,12,24

  • Veldafbrekingen inschakelen om afbreekposities in velden interactief te bewerken in de voorbeeldweergave. Afbreekposities in velden wordt bijgewerkt met de geselecteerde posities. U kunt:
    • In de voorbeeldweergave klikken om een veldafbreking in te voegen.

    • Klikken op een veldafbreking die u wilt verwijderen.
    • Een veldafbreking slepen om die te verplaatsen.

Instellingen voor bestandsindelingen

Instellingen voor bestandsindeling voor gegevensbestanden met vaste records
UI-item Beschrijving
Veldnamen Kies of de tabel Ingesloten veldnamen of Geen veldnamen bevat.

Koptekstgrootte

Stel bij Koptekstgrootte het aantal regels in dat moet worden overgeslagen als tabelkoptekst.

Tekenset

Stel de tekenset in die moet worden gebruikt in het tabelbestand.

Tabgrootte Stel het aantal spaties in waarvoor één tabteken staat in het tabelbestand.
Regellengte record

Stel het aantal regels in waaruit één record bestaat in het tabelbestand. Het standaardaantal is 1.

HTML-bestanden

HTML-bestanden kunnen meerdere tabellen bevatten. Qlik Sense interpreteert alle elementen met een code <TABLE> als tabel.

Instellingen voor bestandsindelingen

Instellingen voor bestandsindeling voor HTML-bestanden
UI-item Beschrijving
Veldnamen Kies of de tabel Ingesloten veldnamen of Geen veldnamen bevat.

Tekenset

Stel de tekenset in die moet worden gebruikt in het tabelbestand.

XML-bestanden

U kunt gegevens laden die zijn opgeslagen in XML-indeling.

Er zijn geen specifieke instellingen voor bestandsindelingen voor XML-bestanden.

QVD-bestanden

U kunt gegevens laden die zijn opgeslagen in QVD-indeling. QVD is een speciale Qlik-indeling die uitsluitend kan worden geschreven naar en gelezen door Qlik Sense of QlikView. De bestandsindeling is geoptimaliseerd om snel gegevens in een Qlik Sense-script te kunnen lezen, maar is toch zeer compact.

Er zijn geen specifieke instellingen voor bestandsindelingen voor QVD-bestanden.

Ga voor meer informatie naar Werken met QVD-bestanden.

QVX-bestanden

U kunt gegevens laden die zijn opgeslagen in Qlik data eXchange (QVX)-indeling. QVX-bestanden worden gemaakt door aangepaste connectoren die zijn ontwikkeld met de Qlik QVX SDK.

Er zijn geen specifieke instellingen voor bestandsindelingen voor QVX-bestanden.

KML-bestanden

U kunt kaartbestanden die zijn opgeslagen in KML-indeling laden voor gebruik in kaartvisualisaties.

Er zijn geen specifieke instellingen voor bestandsindelingen voor KML-bestanden.

Zie Uw eigen kaartgegevens laden voor meer informatie over kaartgegevens.

Teruggaan naar de vorige stap (Gegevens toevoegen)

U kunt teruggaan naar de vorige stap bij het toevoegen van gegevens.

Doe het volgende:

  • Klik op de pijl Terug om terug te gaan naar de vorige stap van Gegevens toevoegen.