Ga naar hoofdinhoud Ga naar aanvullende inhoud

Schuifbalk/Agenda-object

The Slider/Calendar object.

Met schuifbalk/agenda-objecten kunt u op een alternatieve manier veldwaarden in QlikView selecteren. Ze kunnen ook worden gebruikt voor het opgeven van waarden in QlikView-scriptvariabelen. Zoals de naam al uitdrukt, zijn er twee geheel verschillende modi voor het schuifbalk/agenda-object. Hoe verschillend de weergave in de verschillende modi ook is, de werking is grotendeels hetzelfde.

Als u met de rechtermuisknop op een schuifbalk/agenda-object klikt, wordt het Schuifbalk/agenda-object: Object weergegeven. Dit menu kan ook worden geopend vanuit het menu Object als het schuifbalk/agenda-object het actieve object is.

Een schuifbalk/agenda-object gebruiken

Schuifbalkmodus

U kunt een enkele waarde, twee waarden of een waardebereik (afhankelijk van de eigenschappen van het object) selecteren in een veld of toevoegen aan een of twee variabelen door de schuiver over de schuifbalkachtergrond te slepen. De schuiver kan ook met de schuifpijlen worden verplaatst. Sommige schuifbalken bevatten een schaal en schaaleenheden voor navigatie.

Agendamodus

Een schuifbalk/agenda-object in agendamodus wordt in de layout weergegeven als een keuzelijst met een agendapictogram aan de rechterkant. Als u op het agendapictogram klikt, wordt het uitgevouwen tot een agenda. U kunt van maand en jaar wisselen met behulp van de pijlknoppen of de vervolgkeuzelijst voor maand en jaar. Als u een datum of een datumbereik hebt geselecteerd (afhankelijk van de eigenschappen van het object) wordt de selectie toegepast op het onderliggende veld of de onderliggende variabele.

Als het object is verbonden aan een veld, worden de selecties in de velden in de uitgevouwen agenda weergegeven, waarbij dezelfde selectiekleurcodes worden gebruikt als in de vervolgkeuzelijsten (bijvoorbeeld groen voor geselecteerde waarden). Indien het object op meerdere waarden is ingesteld, kunt u deze selecteren door te klikken en de muisaanwijzer over meerdere waarden te slepen, net zoals in een keuzelijst. Door op de Ctrl-toets te drukken kunt u ook meerdere waardebereiken te selecteren, zelfs in verschillende maanden of jaren. Als de agenda na selectie wordt gesloten, functioneert de vervolgkeuzelijst als een vervolgkeuzeveld in een meervoudige keuzelijst.

Menu Object

Het menu Object voor schuifbalk/agenda-objecten wordt geopend door met de rechtermuisknop op het object te klikken. Dit menu bevat de volgende opdrachten:

Menuopdrachten
Opdracht Beschrijving
Eigenschappen... Hiermee opent u het dialoogvenster Schuifbalk/Agenda-objecteigenschappen waarin diverse parameters kunnen worden ingesteld.
Opmerkingen

Hiermee kunt u opmerkingen maken en uitwisselen over het huidige object.

Volgorde

Dit submenu is alleen beschikbaar als de opdracht Ontwerpraster van het menu Beeld is geactiveerd of als de optie Altijd opmaakmenu-opdrachten tonen onder Gebruikersvoorkeuren: Ontwerp is ingeschakeld. Het menu bevat vier opdrachten voor het instellen van de opmaaklaag van de werkbladobjecten. Geldige laagnummers zijn -128 tot en met 127.

  • Naar bovenste laag: Hiermee stelt u de opmaaklaag van het object in op de hoogste waarde die momenteel wordt gebruikt door een werkbladobject op het huidige werkblad.
  • Naar onderste laag: Hiermee stelt u de opmaaklaag van het object in op de laagste waarde die momenteel wordt gebruikt door een werkbladobject op het huidige werkblad.
  • Een laag hoger: Hiermee verhoogt u het nummer van de opmaaklaag van het werkbladobject met één. De maximumwaarde is 127.
  • Een laag terug: Hiermee verlaagt u het nummer van de opmaaklaag van het werkbladobject met één. De laagste waarde is -128.
Naar het Klembord kopiëren Dit trapsgewijze menu bevat de verschillende kopieeropties voor het werkbladobject.
Afbeelding
Hiermee kopieert u een afbeelding van het werkbladobject naar het Klembord. In de afbeelding zijn de titelbalk en randen van het werkbladobject wel of niet opgenomen, afhankelijk van de instellingen op de pagina Gebruikersvoorkeuren: Pagina Exporteren.
Object
Hiermee wordt het gehele werkbladobject naar het Klembord gekopieerd, waarna u dit elders in de opmaak kunt plakken, of in een ander document dat binnen het huidige exemplaar van QlikView is geopend.
Gekoppelde objecten

Er wordt een menu geopend met de volgende opdrachten voor gekoppelde objecten.

  • Positie van gekoppelde objecten aanpassen: Alle gekoppelde objecten op alle werkbladen krijgen dezelfde positie en grootte als de gemarkeerde objecten.
  • Koppeling van dit object opheffen/Koppeling van objecten opheffen: De koppeling tussen de objecten wordt verbroken, waardoor er verschillende objecten met verschillende object-ID's ontstaan.
Minimaliseren Hiermee wordt het object verkleind tot een pictogram. Klikken op het pictogram Minimize op de titelbalk van het object (indien weergegeven) heeft hetzelfde effect. Deze opdracht is alleen beschikbaar als minimaliseren is toegestaan in het dialoogvenster Eigenschappen van het object op de pagina Titelbalk.
Maximaliseren Het object wordt vergroot om het werkblad op te vullen. Klikken op het pictogram Maximize op de titelbalk van het object (indien weergegeven) heeft hetzelfde effect. Deze opdracht is alleen beschikbaar als maximaliseren is toegestaan in het dialoogvenster Eigenschappen van het object op de pagina Titelbalk.
Herstellen Hiermee herstelt u het vorige formaat en de vorige locatie van een geminimaliseerd of gemaximaliseerd object. Dubbelklikken op het pictogram van een geminimaliseerd object of klikken op het pictogram Restore op de titelbalk van het object (indien weergegeven) van een gemaximaliseerd object heeft hetzelfde effect. Deze opdracht is alleen beschikbaar voor geminimaliseerde of gemaximaliseerde objecten.
Help Hiermee wordt de QlikView Help geopend.
Verwijderen Hiermee wordt het geselecteerde werkbladobject van het werkblad verwijderd.

Algemeen

U opent het tabblad Schuifbalk/Agenda-objecteigenschappen: Algemeen door met de rechtermuisknop te klikken op een schuifbalk/agenda-object en vervolgens de opdracht Eigenschappen te kiezen in het zwevende menu. Hier kunt u algemene instellingen opgeven voor de gegevens waarop het schuifbalk/agenda-object betrekking heeft. U kunt deze informatie ook opgeven in het dialoogvenster Nieuwe Schuifbalk/Agenda.

Onder Invoerstijl selecteert u de basismodus van het schuifbalk/agenda-object. Kies in de vervolgkeuzelijst of het object moet worden weergegeven als Schuifregelaar of als Agenda.

In de groep Gegevens geeft u op aan welk gegevensobject de schuifregelaar/agenda moet worden verbonden. Een schuifregelaar/agenda kan worden verbonden aan een veld of aan een of meerdere variabele(n).

  • Veld: Selecteer dit keuzerondje als u de schuifregelaar/agenda wilt verbinden aan een veld of uitdrukking. Selecteer het veld in de vervolgkeuzelijst. Als u Uitdrukking hebt gekozen in de vervolgkeuzelijst, wordt het dialoogvenster Uitdrukking bewerken geopend.
  • Bewerken...: Hiermee opent u het dialoogvenster Uitdrukking bewerken voor de uitdrukking die u hebt gekozen in de vervolgkeuzelijst.
  • Variabele(n): Schakel het keuzerondje in en selecteer de gewenste variabele(n) in de vervolgkeuzelijst(en). De tweede variabele is alleen beschikbaar als u Meerdere waarden selecteert bij Modus (zie hieronder).

In de groep Modus geeft u op of er een Enkele waarde of een waardebereik - Meerdere waarden met de schuifregelaar/agenda moet(en) kunnen worden geselecteerd.

In de groep Waardemodus geeft u op of de met de schuifregelaar/agenda te selecteren waarden Discreet zijn (niet beschikbaar in de modus Meerdere waarden), of u geeft een Doorlopend/numeriek waardebereik op (niet beschikbaar in de modus Enkele waarde met Veld-gegevens). Deze groep is niet beschikbaar in de Agenda-modus. In de Agenda-modus worden altijd discrete waarden verondersteld.

  • Min. waarde: Hier stelt u de minimumwaarde in voor de schuifregelaar/agenda in de waardemodus Doorlopend/numeriek.
  • Max. waarde: Hier stelt u de maximumwaarde in voor de schuifregelaar/agenda in de waardemodus Doorlopend/numeriek.
  • Statische stap: Schakel de optie in en voer een waarde in als u een statische stap voor schuifregelaar/agenda-waarden in de waardemodus Doorlopend/numeriek wilt opgeven.
  • Waarde 1: Toont de huidige waarde van de schuifregelaar in de waardemodus Doorlopend/numeriek als de schuifregelaar/agenda is ingesteld op Enkele waarde. In de modus Meerdere waarden wordt de laagste waarde getoond.
  • Waarde 2: Toont de huidige hoogste waarde van de schuifregelaar/agenda in de waardemodus Doorlopend/numeriek. Deze waarde is alleen relevant in de modus Meerdere waarden.
  • Vergrendeld veld opheffen: Als deze optie is ingeschakeld, kunnen via de schuifregelaar/agenda selecties worden gemaakt in een veld dat is vergrendeld. Het veld blijft wel vergrendeld voor logische wijzigingen door selecties in andere velden. Deze optie is standaard ingeschakeld voor schuifbalk/agenda-objecten.
  • Vast bereik: Als deze optie is ingeschakeld, kan de gebruiker het bereik niet vergroten of verkleinen door de randen van de schuiver te slepen.
  • Alternatieve status:

    Kies een van de beschikbare statussen in de lijst. De volgende alternatieve statussen zijn altijd beschikbaar.

    • Overgenomen: De werkbladen en werkbladobjecten hebben altijd de status overgenomen, tenzij de QlikView-ontwikkelaar anders beslist. Deze instelling wordt overgenomen van het object op het bovenliggende niveau: een grafiek in een werkblad krijgt dezelfde instellingen als het werkblad als overgenomen wordt gekozen.
    • Standaardstatus: Dit is de status waarbij de meeste QlikView-activiteiten plaatsvinden. Deze wordt aangeduid met $. Het QlikView-document bevindt zich altijd in de standaardstatus.
  • Object-ID: Deze ID wordt gebruikt voor macro's. Aan elk werkbladobject wordt een unieke ID toegewezen. Het is aan te bevelen in de ID alleen alfanumerieke tekens te gebruiken. Voor schuifbalkobjecten begint de ID bij SL01.Gekoppelde objecten hebben dezelfde object-ID. U kunt dit ID-nummer later bewerken.

    Interne Macro Interpreter

  • Afdrukinstellingen: Als u op deze knop klikt, wordt het dialoogvenster Afdrukinstellingen geopend, waar u de marges en de opmaak van koptekst/voettekst kunt opgeven.

Presentatie (schuifbalkmodus)

U opent het tabblad Schuifbalk/Agenda-objecteigenschappen: Presentatie door met de rechtermuisknop op een Schuifbalk/Agenda-object te klikken en vervolgens Eigenschappen te kiezen in het zwevende menu. Hier kunt u de visuele eigenschappen van het schuifbalk/agenda-object instellen.

In de groep Kleuren kunt u kleuren bepalen voor de verschillende delen van de schuifbalk/agenda, die in de volgende figuur zijn aangegeven:

Slider object example with callouts for various elements

Voorbeeld: Legenda

  • A: Vinkje voor waarde
  • B: Schaal voor achtergrond
  • C: Schuifregelaar voor achtergrond
  • D: Schuiver
  • E: Schuifpijlen

U kunt Achtergrond schuifregelaar en Achtergrond schalen instellen als effen kleur of als kleurovergang in het dialoogvenster Kleurgebied. U opent dit dialoogvenster door op de knop betreffende knop te klikken. De mate van transparantie van de schuifregelaarachtergrond kunt u rechts van de knop instellen. Bij 0% is de achtergrond volledig ondoorzichtig. Bij 100% is de achtergrond volledig transparant.

U kunt de kleur van de Schuiver, Schuifpijlen en Schaaleenheden instellen als effen kleur of als kleurovergang in het dialoogvenster Kleurgebied. U opent dit door te klikken op de knop.

In de groep Schuifstand kunt u aangeven of de schuifbalk Horizontaal of Verticaal wordt weergegeven.

In de groep Labelstand kunt u aangeven of de schaaltekst Horizontaal of Verticaal wordt weergegeven.

In de groep Schaal kunt u een schuifbalkschaal opgeven. Selecteer Automatisch schalen gebruiken als u wilt dat de schaal automatisch wordt gegenereerd op basis van de schuifbalkgrootte en de onderliggende waarden. Als u Aangepaste schaal gebruiken kiest, kunt u een aantal schaalinstellingen opgeven:

  • Primaire eenheden: Het getal bepaalt het aantal primaire maateenheden op de schuifregelaar.
  • Labels op elke n Primaire eenheid: Het getal bepaalt de dichtheid van de schaallabeltekst.
  • Deeleenheden per hoofdeenheid: Het getal staat voor het aantal deelmaateenheden op de schuifregelaar.

U kunt de schuifpijlen verbergen of tonen met de optie Schuifpijlen tonen.

De Schuifregelaarstijl kan worden ingesteld als Effen of Verschuivende tekst.

InformatieEr gelden beperkingen voor de functies voor automatisch schalen en de verticale stand van labels in de AJAX/WebView-modus.
Het wordt aanbevolen om indien mogelijk schaalinstellingen te definiëren met Aangepaste schaal gebruiken.

Presentatie (kalendermodus)

U opent het tabblad Schuifbalk/Agenda-objecteigenschappen: Presentatie door met de rechtermuisknop op een Schuifbalk/Agenda-object te klikken en vervolgens Eigenschappen te kiezen in het zwevende menu. Hier kunt u de visuele eigenschappen van het schuifbalk/agenda-object instellen.

In de groep Kleuren kunt u de achtergrondkleur van de agenda bepalen. U kunt deze achtergrondkleur instellen als effen kleur of als kleurovergang in het dialoogvenster Kleurgebied. U opent dit door te klikken op de knop. De mate van transparantie van de agenda-achtergrond kunt u rechts van de knop instellen. Bij 0% is de achtergrond volledig ondoorzichtig. Bij 100% is de achtergrond volledig transparant.

Sorteren

Op de pagina Sorteren kunt u de sorteervolgorde van de schuifregelaargegevens instellen. Deze pagina is vrijwel gelijk aan de gelijknamige pagina van het dialoogvenster Documenteigenschappen.

Getal

Op de pagina Notaties kunt u de getalnotaties voor de schuifregelaarschaal instellen. Deze pagina is vrijwel gelijk aan de gelijknamige pagina van het dialoogvenster Documenteigenschappen.

Lettertype

Hier kunt u opties instellen voor Lettertype, Tekenstijl en Punten van het lettertype voor het object.

U kunt het lettertype instellen voor elk afzonderlijk object (Eigenschappen object: Lettertype), of alle objecten in een document (Toepassen op objecten op Documenteigenschappen: Lettertype).

Verder kunt u de standaard documentlettertypen voor nieuwe objecten instellen op Documenteigenschappen: Lettertype. Er zijn twee standaard lettertypen:

  1. Het eerste standaard lettertype (Keuzelijsten, Grafieken enz.) wordt gebruikt voor de meeste objecten, zoals keuzelijsten en grafieken.
  2. Het tweede standaard lettertype (Tekstobjecten en -knoppen) wordt gebruikt voor knoppen en tekstvakken, waarvoor meestal een groter lettertype nodig is.

Ten slotte kunt u de standaard lettertypen voor nieuwe documenten instellen op Gebruikersvoorkeuren: Lettertype.

Voor grafieken, knoppen en tekstobjecten (behalve zoekobjecten) kunt u ook een kleur opgeven. De kleur kan vast zijn of dynamisch worden berekend aan de hand van een uitdrukking. De uitdrukking moet een geldige kleurrepresentatie opleveren. Hiertoe kunt u de kleurfuncties gebruiken. Als het resultaat van de uitdrukking geen geldige kleurweergave oplevert, wordt standaard zwart gebruikt als kleur voor het lettertype.

Kleurfuncties

Aanvullende instellingen zijn:

  • Slagschaduw: Als u deze optie inschakelt, wordt een slagschaduw aan de tekst toegevoegd.
  • Onderstrepen: Als u deze optie inschakelt, wordt de tekst onderstreept.

Een voorbeeld van het geselecteerde lettertype is te zien in het voorbeeldvenster.

Opmaak

Een opmaakinstelling is alleen van toepassing op het huidige object als u werkt via de eigenschappenpagina voor een object.
Een opmaakinstelling is van toepassing op alle objecten van een of meer opgegeven typen in het document als u werkt via de eigenschappenpagina voor het document.

Randen gebruiken

Als u deze optie inschakelt, kunt u een rand om het object maken. U kunt het soort rand opgeven door een optie te kiezen in het vervolgkeuzemenu.

  • Schaduwintensiteit: Met de vervolgkeuzelijst Schaduwintensiteit kunt u de intensiteit instellen van de schaduw rond de werkbladobjecten. Ook kunt u Geen schaduw kiezen.
  • Randstijl: De volgende vooraf gedefinieerde randtypen zijn beschikbaar:
    • Ononderbroken: Een ononderbroken rand in één kleur.
    • Verlaagd: Met deze rand lijkt het werkbladobject te zijn verlaagd ten opzichte van de achtergrond.
    • Verhoogd: Met deze rand lijkt het werkbladobject te zijn verhoogd ten opzichte van de achtergrond.
    • Omrand: Met deze rand lijkt het werkbladobject te zijn ingelijst.
  • Randbreedte: Deze optie is beschikbaar voor alle randtypen. De breedte kan worden opgegeven in mm, cm, inches (", inch), pixels (px, pxl, pixel), punten (pt, pts, point) of docunits (du, docunit).
  • Kleur: Met deze knop opent u een dialoogvenster, waarin u voor alle randtypen een geschikte basiskleur uit het kleurenpalet kunt kiezen.
  • Regenboog: Hiermee kunt u voor alle randtypen een regenboogeffect creëren. De regenboog wordt aan de bovenkant van het object vanuit de basiskleur opgebouwd.

Als u Vereenvoudigd hebt gekozen voor Opmaakmodus in Documenteigenschappen: Algemeen, kunt u geen randtype instellen. Dan worden alleen de vervolgkeuzelijst Schaduwintensiteit en de instelling Randbreedte aangeboden.

Afgeronde hoeken

In de groep Afgeronde hoeken kunt u instellingen opgeven voor de algemene vorm van het object. Met behulp van deze instellingen kunt u objecten weergeven met ronde of ellipsvormige hoeken tot superellipsvormig en rechthoekig. Afgeronde hoeken is alleen beschikbaar als u Geavanceerd als Opmaakmodus hebt geselecteerd in Documenteigenschappen: Algemeen.

  • Afgeronde hoeken: Schakel deze optie in om de opties voor afgeronde hoeken beschikbaar te maken.
  • Hoeken: Hoeken waarvoor de optie niet is ingeschakeld, krijgen een rechte hoek.
  • Hoekigheid: Een variabel nummer tussen 2 en 100, waarbij 100 een rechthoek definieert met perfect vierkante hoeken en 2 met een perfecte ellipsvorm (een cirkel met een aspectverhouding van 1:1). Een hoekigheid tussen 2 en 5 is doorgaans optimaal voor afgeronde hoeken.
  • Hoekradius: Hier geeft u de radius van de hoeken op, als vaste afstand (Vast) of als percentage van het totale kwadrant (Relatief (%)). Met deze instelling bepaalt u de mate waarin de hoeken worden beïnvloed door de onderliggende algemene vorm die bij Hoekigheid is ingesteld. De afstand kan worden opgegeven in mm, cm, inches (", inch), pixels (px, pxl, pixel), punten (pt, pts, point) of docunits (du, docunit).

Laag

In de groep Laag kunt u aan het object één van de drie werkbladlagen toekennen:

  • Onderste: Een object met de laageigenschap Onderste kan nooit objecten in de lagen Normaal en Bovenste bedekken. Het kan alleen boven andere objecten in de laag Onderste worden geplaatst.
  • Normaal: Bij aanmaak worden objecten standaard in de normale (middelste) laag geplaatst. Een object met de laageigenschap Normaal kan nooit worden bedekt door objecten in de laag Onderste en kan zelf nooit objecten in de laag Bovenste bedekken.
  • Bovenste: Een object in de laag Bovenste kan nooit worden bedekt door objecten in de lagen Normaal en Onderste. Alleen andere objecten in de laag Bovenste kunnen erboven worden geplaatst.
  • Aangepast: De lagen Bovenste, Normaal en Onderste komen overeen met respectievelijk de interne laagnummers 1, 0 en -1. Alle waarden tussen -128 en 127 worden echter geaccepteerd. Kies deze optie als u een zelfgekozen waarde binnen dit bereik wilt opgeven.

Thema-editor...

Hiermee opent u de wizard Thema's waarin u een nieuw opmaakthema kunt maken.

Thema toepassen...

U kunt een opmaakthema toepassen op het object, werkblad of document.

Opmaakthema's

Tonen

In de groep Tonen kunt u een voorwaarde aangeven waaronder het object wordt getoond:

  • Altijd: Het werkbladobject wordt altijd getoond.
  • Voorwaardelijk: Het werkbladobject wordt getoond of verborgen, afhankelijk van een voorwaardelijke uitdrukking die voortdurend wordt geëvalueerd, bijvoorbeeld op basis van gemaakte selecties etc. Het werkbladobject wordt alleen verborgen als de voorwaarde FALSE retourneert.

    Voorwaardenfuncties

Informatie

Gebruikers met beheerdersbevoegdheden voor het document kunnen alle voorwaarden voor tonen opheffen met behulp van de optie Alle werkbladen en objecten tonen in Documenteigenschappen: Beveiliging. Deze functionaliteit kan worden in- of uitgeschakeld door op Ctrl+Shift+S te drukken.

Documenteigenschappen: Beveiliging

Opties

In de groep Opties kunt u de mogelijkheid tot het wijziging van positie of grootte van het werkbladobject uitschakelen. De instellingen in deze groep zijn alleen van toepassing als de bijbehorende selectievakjes zijn ingeschakeld in Documenteigenschappen: Opmaak en Werkbladeigenschappen: Beveiliging.

  • Positie/grootte wijzigen toestaan: Als deze optie is uitgeschakeld, kan niet langer de positie of de grootte van een werkbladobject worden gewijzigd.
  • Kopiëren/klonen toestaan: Als deze optie is uitgeschakeld, kan niet langer een kopie van het werkbladobject worden gemaakt.
  • Info toestaan: Wanneer de functie info in gebruik is, wordt een infopictogram weergegeven in de venstertitelbalk wanneer aan een veldwaarde informatie is gekoppeld. Als u geen infopictogram wilt weergeven in de titelbalk, kunt u deze optie uitschakelen.

    Info
  • Omvang in gegevens: In principe worden de randen van alle tabelobjecten in QlikView verkleind als de tabel door bepaalde selecties kleiner wordt dan de ruimte die eraan toegewezen is. Als u deze optie uitschakelt, wordt deze automatische formaataanpassing uitgeschakeld en wordt de overtollige ruimte leeg gelaten.

Schuifbalken

Verschillende opties voor het wijzigen van de opmaak van schuifbalken vindt u in de groep Schuifbalken:

  • Schuifpositie behouden: Als deze instelling is ingeschakeld, behoudt QlikView zo mogelijk de schuifpositie van tabellen en grafieken met een schuifbalk wanneer een selectie wordt gemaakt in een ander object. De instelling moet ook worden ingeschakeld in Gebruikersvoorkeuren: Objecten. De schuifpositie blijft niet bewaard als u het document sluit.
  • Schuifknoppen: Hier stelt u de kleur van de schuifknoppen in. Selecteer een kleur door op de knop te klikken. Middelgrijze kleuren zijn overigens zeer geschikt voor schuifbalken. Beide kunt u instellen als effen kleur of als kleurovergang in het dialoogvenster Kleurgebied. U opent dit venster door te klikken op de betreffende knop.
  • Achtergrond schuiven: Hier stelt u de achtergrondkleur van de schuifbalken in. Selecteer een kleur door op de knop te klikken.
  • Schuifbalkbreedte: Deze instelling wordt toegepast op de breedte en de relatieve grootte van de schuifbalksymbolen.
  • Schuifstijl: Hier stelt u de stijl van de schuifbalken in. Selecteer een stijl in de vervolgkeuzelijst. De schuifstijl Klassiek komt overeen met de schuifbalkstijl in QlikView 4/5. De schuifstijl Standaard is moderner. De derde stijl is Licht. Deze heeft een dunnere, lichtere balk.
    De schuifbalkstijl is alleen zichtbaar als de Opmaakmodus is ingesteld op Geavanceerd. U vindt deze instelling door het vervolgkeuzemenu Instellingen te openen, Documenteigenschappen te selecteren en naar het tabblad Algemeen te gaan.

 

  • Toepassen op...: Hiermee opent u het dialoogvenster Eigenschappen titelbalk en rand, waarin u kunt instellen waarop de eigenschappen moeten worden toegepast die u instelt op de pagina Opmaak.

Titelbalk

Een titelbalkinstelling is alleen van toepassing op het huidige object als u werkt via de pagina Objecteigenschappen.
Een titelbalkinstelling is van toepassing op alle objecten van een of meer opgegeven typen in het document als u werkt via de pagina Documenteigenschappen.

Geef op de pagina Titelbalk opmaakopties op die volledig afwijken van de algemene opmaak van het object.

  • Titelbalk tonen: Als deze optie is ingeschakeld, wordt aan de bovenkant van elk werkbladobject een titelbalk weergegeven. De titelbalk is standaard ingeschakeld bij keuzelijsten en andere objecten met een vak, en uitgeschakeld bij knoppen, tekstobjecten en lijnen/pijlen.
  • Titeltekst: In het tekstvak kunt u een titel invoeren die op de titelbalk van het object wordt weergegeven. Gebruik de knop Lettertype... om het lettertype van de titelbalk te wijzigen.

U kunt voor elke status van de titelbalk een verschillende kleur instellen. De instellingen voor Actieve kleuren en Inactieve kleuren kunnen onafhankelijk van elkaar worden uitgevoerd.

Klik op de knop Achtergrondkleur of Tekstkleur om het dialoogvenster Kleurgebied te openen. De achtergrondkleur kan worden gedefinieerd als een effen kleur of een kleurovergang in het dialoogvenster Kleurgebied. Voor Tekstkleur kan een vaste of een berekende kleur worden gedefinieerd met behulp van kleurfuncties.

Kleurfuncties

  • Tekstterugloop: Als deze optie is ingeschakeld, wordt de titel weergegeven op twee of meer regels.
  • Titelbalkhoogte (regels): U stelt het aantal titelbalkregels in dit tekstvak in.

U kunt de exacte grootte en positie van een normaal of geminimaliseerd QlikView-object bepalen en aanpassen met de instellingen voor grootte en positie. Deze instellingen worden gemeten in pixels:

  • X-pos.: Hiermee stelt u de horizontale positie van de linkerzijde van het werkbladobject in ten opzichte van de linkerrand van het werkblad.
  • Y-pos.: Hiermee stelt u de verticale positie van de bovenzijde van het werkbladobject in ten opzichte van de bovenrand van het werkblad.
  • Breedte: Hiermee stelt u de breedte van het QlikView-werkbladobject in.
  • Hoogte: Hiermee stelt u de hoogte van het QlikView-werkbladobject in.

U kunt de positie van de titelbalk wijzigen met de opties voor Titelbalkuitlijning:

  • Horizontaal: Het label kan horizontaal worden uitgelijnd: Links, Centreren of Rechts binnen het titelbalkgebied.
  • Verticaal: Het label kan verticaal worden uitgelijnd: Boven, Centreren of Onder binnen het titelbalkgebied.

Speciale pictogrammen
Veel opdrachten in het objectmenu van werkbladobjecten kunnen ook als pictogrammen op de titelbalk worden weergegeven. Selecteer de opdrachten die als pictogrammen moeten worden weergeven door de selectievakjes links van de betreffende opdrachten in de lijst in te schakelen.

InformatieStel een beperkt aantal pictogrammen in voor de titelbalk. Te veel pictogrammen zijn verwarrend voor de gebruiker.
  • Minimaliseren toestaan: Als deze optie is ingeschakeld, wordt een pictogram voor minimaliseren weergegeven in de venstertitelbalk van het werkbladobject, op voorwaarde dat het object geminimaliseerd kan worden. Ook kan het object worden geminimaliseerd door op de titelbalk te dubbelklikken.
  • Automatisch minimaliseren: Deze optie is beschikbaar als Minimaliseren toestaan is ingeschakeld. Wanneer Automatisch minimaliseren is ingeschakeld voor diverse objecten op hetzelfde werkblad, worden ze telkens allemaal op één na automatisch geminimaliseerd. Dit is bijvoorbeeld nuttig als u verschillende grafieken in hetzelfde werkbladgebied afwisselend wilt weergeven.
  • Maximaliseren toestaan: Als deze optie is ingeschakeld, wordt een pictogram voor maximaliseren weergegeven in de venstertitelbalk van het werkbladobject, op voorwaarde dat het object gemaximaliseerd kan worden. Ook kan het object worden gemaximaliseerd door op de titelbalk te dubbelklikken. Als zowel Minimaliseren toestaan als Maximaliseren toestaan zijn ingeschakeld, wordt bij dubbelklikken het object geminimaliseerd.
  • Help-tekst: Hier kunt u een Help-tekst invoeren voor weergave in een pop-upvenster. De Help-tekst kan worden opgegeven als berekende formule. Deze optie is niet beschikbaar op documentniveau. Klik op de knop ... om het dialoogvenster Uitdrukking bewerken te openen. Hierin kunt u lange formules eenvoudiger bewerken.


    Uitdrukkingssyntaxis voor berekende formules

    U kunt bijvoorbeeld een omschrijving invoeren van het werkbladobject. Een Help-pictogram wordt toegevoegd aan de venstertitelbalk van het object. Wanneer de muisaanwijzer over het pictogram beweegt, wordt de tekst in een pop-upvenster weergegeven.

Was deze pagina nuttig?

Als u problemen ervaart op deze pagina of de inhoud onjuist is – een typfout, een ontbrekende stap of een technische fout – laat het ons weten zodat we dit kunnen verbeteren!

Neem deel aan het Analytics Modernization Program

Remove banner from view

Moderniseer zonder uw waardevolle QlikView-apps op het spel te zetten met het Analytics Modernization Program. Klik hier voor meer informatie of om contact op te nemen: ampquestions@qlik.com