Keuzelijst

De keuzelijst is een basiswerkbladobject. Een lijst bevat alle mogelijke waarden van een specifiek veld. Elke rij in een keuzelijst kan verscheidene records in de geladen tabel weergeven, alle met dezelfde waarde. Het selecteren van één waarde kan dus gelijk zijn aan het selecteren van verscheidene records in de geladen tabel.

Een keuzelijst kan ook een cyclische of drilldowngroep bevatten. Als u slechts een enkele waarde in een drilldowngroep (hiërarchische groep) selecteert, wordt automatisch overgestapt op het volgende onderliggende veld in de groep. U gaat weer naar een niveau hoger in de groep door op het pictogram Niveau hoger te klikken in de·titelbalk van de keuzelijst.

Als de keuzelijst een cyclische groep bevat, kunt u naar het volgende veld in de groep gaan door op het pictogram Cyclus op de titelbalk van de keuzelijst te klikken. U kunt ook direct naar een willekeurig veld in de groep gaan door de optie Cyclus in het objectmenu van de keuzelijst te kiezen.

Klik met de rechtermuisknop op de keuzelijst om het menu Object te openen.

Menu Object

Het menu Object van keuzelijsten wordt geopend door met de rechtermuisknop op het object te klikken. Dit menu bevat de volgende opdrachten:

Eigenschappen... Hiermee wordt het dialoogvenster Eigenschappen keuzelijst geopend, waarin een aantal parameters kan worden ingesteld.
Opmerkingen

Hiermee kunt u opmerkingen maken en uitwisselen over het huidige object.

Notities en opmerkingen

Cyclus

Deze opdracht is alleen beschikbaar als de keuzelijst is ingesteld op weergave van een cyclische groep. Er wordt een trapsgewijs menu met de velden van de groep geopend, waar u kunt selecteren welke velden in de keuzelijst moeten worden weergegeven.

Niet-hiërarchische groepen (cyclisch)

Zoeken

Hiermee wordt het zoekvak geopend.

Zoeken

Fuzzy zoeken

Hiermee wordt het zoekvak voor tekst geopend in de modus fuzzy zoeken.

Fuzzy zoeken

Geavanceerd zoeken

Hiermee wordt het dialoogvenster Geavanceerd zoeken geopend. In dit dialoogvenster kunt u geavanceerde zoekuitdrukkingen invoeren. Deze opdracht kan ook worden aangeroepen met de volgende sneltoets: Ctrl+Shift+F.

Dialoogvenster Geavanceerd zoeken

Volgorde

Dit submenu is alleen beschikbaar als de opdracht Ontwerpraster van het menu Beeld is geactiveerd of als de optie Altijd opmaakmenu-opdrachten tonen onder Gebruikersvoorkeuren: Ontwerp is ingeschakeld. Het menu bevat vier opdrachten voor het instellen van de opmaaklaag van de werkbladobjecten. Geldige laagnummers zijn -128 tot en met 127.

Naar bovenste laag
Hiermee stelt u de opmaaklaag van het object in op de hoogste waarde die momenteel wordt gebruikt door een werkbladobject op het huidige werkblad.

Naar onderste laag
Hiermee stelt u de opmaaklaag van het object in op de laagste waarde die momenteel wordt gebruikt door een werkbladobject op het huidige werkblad.

Een laag hoger
Hiermee verhoogt u het nummer van de opmaaklaag van het werkbladobject met één. De maximumwaarde is 127.

Een laag terug
Hiermee verlaagt u het nummer van de opmaaklaag van het werkbladobject met één. De laagste waarde is -128.


Waarde wijzigen Deze optie is alleen beschikbaar voor keuzelijsten met invoervelden. Hiermee wordt voor de cel waarop u hebt geklikt de modus invoer bewerken ingeschakeld. Deze optie staat gelijk aan het klikken op het invoerpictogram in de cel.
Waarden herstellen Deze optie is alleen beschikbaar voor keuzelijsten met invoervelden. Er wordt een trapsgewijs menu met drie opties geopend:
Enkele waarde herstellen
De standaard scriptwaarde van het veld waarop u hebt geklikt, wordt teruggezet.
Mogelijke waarden herstellen
De standaard scriptwaarden van alle mogelijke veldwaarden worden teruggezet.
Alle waarden herstellen
De standaard scriptwaarden van alle veldwaarden worden teruggezet.
Selecteer mogelijke waarden Alle niet-uitgesloten waarden in de keuzelijst worden geselecteerd.
Uitgesloten waarden selecteren Alle uitgesloten waarden in de keuzelijst worden geselecteerd.
Alles selecteren Alle waarden in de keuzelijst worden geselecteerd.
Wissen Alle huidige selecties in de actieve keuzelijst worden gewist.
Selectie in andere velden opheffen De selecties in alle andere objecten worden gewist, maar de selecties in de huidige keuzelijst blijven geldig.
Vergrendelen De geselecteerde waarde(n) in de actieve keuzelijst worden vergrendeld. (Grijs als geen selecties zijn gemaakt).
Ontgrendelen De vergrendelde waarde(n) in de actieve keuzelijst worden ontgrendeld. (Verschijnt in plaats van Vergrendelen als selecties zijn vergrendeld).
Snelle grafiek maken...

Hiermee wordt de wizard Snelle grafiek geopend, waarmee u snel en gemakkelijk een grafiek kunt maken.

Wizard Snelle grafiek

Tijdgrafiek maken...

Hiermee wordt de wizard Tijdgrafiek geopend, waarin u een grafiek kunt maken waarin een bepaalde meetwaarde (uitdrukking) moet worden gekwalificeerd, welke bovendien vaak moet worden vergeleken in verschillende tijdperioden.

Wizard Tijdgrafiek

Statistiekobject maken Hiermee kunt u diverse statistische berekeningen uitvoeren op geselecteerde waarden van een veld (steekproef) en de resultaten weergeven in een vak met statistieken.
Mogelijke afdrukken...

Hiermee opent u het dialoogvenster Afdrukken waarin u de afdrukinstellingen kunt opgeven. Alle niet-uitgesloten waarden van de actieve keuzelijst worden naar de printer gezonden.

Afdrukken: Algemeen

Mogelijke waarden afdrukken als PDF...

Hiermee wordt het dialoogvenster Afdrukken geopend waarin de printer PDF-XChange 3.0 al is geselecteerd. Nadat u op de knop Afdrukken hebt geklikt, wordt om een bestandsnaam voor het PDF-uitvoerbestand gevraagd. Deze opdracht is alleen beschikbaar als er een PDF-printer beschikbaar is op het systeem.

Verzenden naar Excel

Mogelijke waarden (inclusief geselecteerde) worden geëxporteerd naar Microsoft Excel, dat automatisch wordt gestart als het programma nog niet geopend is. De geëxporteerde waarden verschijnen in een nieuw Excel-werkblad. Voor deze functionaliteit moet Microsoft Excel 2007 of later op de computer zijn geïnstalleerd.

Opmerking: Minigrafieken worden niet weergegeven bij het exporteren naar Excel!
Exporteren... Het dialoogvenster Opslaan als wordt geopend waarin u het pad, de bestandsnaam en het (tabel)bestandstype voor de geëxporteerde gegevens kunt opgeven.
Naar het Klembord kopiëren Dit trapsgewijze menu bevat de verschillende kopieeropties voor het werkbladobject.
Mogelijke waarden
De mogelijke (geselecteerde en optionele) waarden worden naar het Klembord gekopieerd.
Celwaarde
De tekstwaarde van de cel in de keuzelijst waarop met de rechtermuisknop wordt geklikt, wordt naar het Klembord gekopieerd (bij het openen van het menu Object).
Afbeelding
Hiermee kopieert u een afbeelding van het werkbladobject naar het Klembord. In de afbeelding zijn de titelbalk en randen van het werkbladobject wel of niet opgenomen, afhankelijk van de instellingen op de pagina Gebruikersvoorkeuren: Exporteren.
Object
Hiermee wordt het gehele werkbladobject naar het Klembord gekopieerd, waarna u dit elders in de opmaak kunt plakken, of in een ander document dat binnen het huidige exemplaar van QlikView is geopend.
Gekoppelde objecten

Er wordt een menu geopend met de volgende opdrachten voor gekoppelde objecten.
Positie van gekoppelde objecten aanpassen
Alle gekoppelde objecten op alle werkbladen krijgen dezelfde positie en grootte als de gemarkeerde objecten.
Koppeling van dit object opheffen/Koppeling van objecten opheffen
De koppeling tussen de objecten wordt verbroken, waardoor er verschillende objecten met verschillende object-ID's ontstaan.

Minimaliseren Hiermee wordt het object verkleind tot een pictogram. Klikken op het pictogram op de titelbalk van het object (indien weergegeven) heeft hetzelfde effect. Deze opdracht is alleen beschikbaar als minimaliseren is toegestaan in het dialoogvenster Eigenschappen van het object op de pagina Titelbalk.
Maximaliseren Het object wordt vergroot om het werkblad op te vullen. Klikken op het pictogram op de titelbalk van het object (indien weergegeven) heeft hetzelfde effect. Deze opdracht is alleen beschikbaar als maximaliseren is toegestaan in het dialoogvenster Eigenschappen van het object op de pagina Titelbalk.
Herstellen Hiermee herstelt u het vorige formaat en de vorige locatie van een geminimaliseerd of gemaximaliseerd object. Dubbelklikken op het pictogram van een geminimaliseerd object of klikken op het pictogram op de titelbalk van het object (indien weergegeven) heeft hetzelfde effect. Deze opdracht is alleen beschikbaar voor geminimaliseerde of gemaximaliseerde objecten.
Help Hiermee wordt de QlikView Help geopend.
Verwijderen Hiermee wordt het geselecteerde werkbladobject van het werkblad verwijderd.

Algemeen

U opent de tab Eigenschappen keuzelijst: Algemeen door met de rechtermuisknop op een keuzelijst te klikken en vervolgens Eigenschappen te kiezen in het zwevende menu. Hier kunt u de algemene parameters instellen van de keuzelijst.

Titel

De tekst die moet worden weergegeven in de titelbalk van de keuzelijst. De standaardtekst is de naam van het geselecteerde veld. De titel kan ook worden gedefinieerd als een berekende formule. De tekst van het label wordt dan dynamisch bijgewerkt. Klik op de knop ... om het dialoogvenster Uitdrukking bewerken te openen. Hierin kunt u lange formules eenvoudiger bewerken.

Uitdrukkingssyntaxis voor berekende formules

Veld Selecteer een veld in de lijst. De keuzelijst bevat de waarden van het geselecteerde veld.
Een keuzelijst kan in plaats daarvan ook een cyclische of drilldowngroep bevatten. Er wordt echter maar één veld tegelijk weergegeven. Dergelijke groepen worden gemaakt in het dialoogvenster Documenteigenschappen: Groepen en worden weergegeven met de beschikbare velden.
Als u slechts een enkele waarde in een drilldowngroep selecteert, wordt automatisch overgestapt op het volgende onderliggende veld van de groep. U gaat terug naar een niveau hoger in de groep door op het pictogram Niveau hoger te klikken in de titelbalk van de keuzelijst.
Als een cyclische groep aan een keuzelijst is toegewezen, kunt u naar het volgende veld in de groep gaan door op het pictogram Cyclus in de titelbalk van de keuzelijst te klikken. U kunt ook direct naar een willekeurig veld in de groep gaan door de optie Cyclus-> in het objectmenu van de keuzelijst te kiezen.
U kunt ook een berekend veld in een keuzelijst weergeven. Een berekend veld ontstaat niet door scriptuitvoering, maar wordt bepaald door een uitdrukking. Dezelfde regels zijn van toepassing op berekende dimensies. Als u een berekend veld wilt gebruiken in de keuzelijst, selecteert u <Uitdrukking> in de keuzelijst, waarna het dialoogvenster Uitdrukking bewerken wordt geopend waarin u de uitdrukking voor het berekende veld kunt opgeven.
Als titel gebruiken
Als u dit selectievakje inschakelt, wordt de veldnaam als Titel gebruikt. De tekst <veldnaam gebruiken> verschijnt in het invoerobject van de Titel.
Bewerken...
Deze knop is alleen beschikbaar als <Uitdrukking> is geselecteerd als veldnaam. Met deze knop opent u het dialoogvenster Uitdrukking bewerken, waar u de uitdrukking voor het berekende veld kunt opgeven.
Opmerking: Bij gebruik van een berekend veld is een deel van de functionaliteit van de keuzelijst anders dan bij gebruik van een gewone veldkeuzelijst. Zo zijn bepaalde eigenschapsopties niet beschikbaar (zie verderop). Verder kunnen er van deze keuzelijsten geen statistiekobjecten worden gemaakt.
Opmerking: Een berekend veld moet altijd een transformatie van een of meer normale velden zijn. Het is niet toegestaan puur synthetische berekende velden te maken via de functies valuelist en valueloop. Bij het maken van selecties in een berekend veld, maakt u eigenlijk selecties in de onderliggende normale velden. Als u het berekende veld op meer dan één veld baseert, kunnen selecties in deze basisvelden ingewikkelde logische gevolgen hebben.  
Opmerking: Het gebruik van berekende velden in keuzelijsten kan bij zeer grote gegevensverzamelingen tot prestatieproblemen leiden.
Opmerking: Het is niet mogelijk om velden van het type MEASURE te gebruiken die zijn gedefinieerd met de functie Direct Discovery in een keuzelijst.
En-modus

Meervoudige selecties binnen een veld moeten van het type EN of OF zijn. Standaard is de selectie van het type OF. Met deze opdracht kunt u van logische modus voor meervoudige selecties wisselen. Deze menuoptie is uitgeschakeld als het veld niet aan bepaalde voorwaarden voldoet. Deze optie is niet beschikbaar voor berekende velden.

Alternatieven tonen Hiermee bepaalt u of een rechtstreekse selectie in de actieve keuzelijst de andere waarden van het veld wel of niet moet uitsluiten. Als Alternatieven tonen is ingeschakeld, worden alle waarden, met uitzondering van de geselecteerde waarde, als optioneel weergegeven. Ze kunnen echter worden uitgesloten door een koppeling met selecties in andere velden. Anders worden alle overige waarden standaard weergegeven als uitgesloten. Deze optie is niet beschikbaar voor berekende velden.
Uitgesloten waarden verbergen Met deze optie bepaalt u of de uitgesloten waarden van het veld wel of niet moeten worden weergegeven. Uitgesloten waarden worden tevens niet-selecteerbaar.
Alleen-lezen Als u deze optie inschakelt, kunt u geen selecties maken in de keuzelijst. Selecties die elders in het document zijn gemaakt, worden echter wel weergegeven.
Altijd één geselecteerde waarde

Met deze optie zorgt u ervoor dat slechts één waarde kan worden geselecteerd. Dit is nuttig in documenten waarbij de gegevens alleen begrijpelijk zijn als al één waarde is geselecteerd, zoals één wisselkoers. Deze optie wordt geactiveerd als al één waarde in de keuzelijst is geselecteerd. Deze optie is niet beschikbaar voor berekende velden.

Opmerking: Als deze optie wordt ingeschakeld, verandert het gegevensmodel. Hierdoor werken bestaande bladwijzers mogelijk niet meer, zelfs als u dezelfde veldnamen blijft gebruiken.
Vergrendeld veld opheffen Als u deze optie inschakelt, kunnen selecties worden gemaakt in de keuzelijst, ook als deze is vergrendeld. De keuzelijst blijft vergrendeld voor selecties die elders in het document worden gemaakt.
Als TreeView tonen

Hiermee toont u de keuzelijst als boomstructuur. Dit besturingselement is alleen relevant als het veld de padrepresentatie bevat van knooppunten in een hiërarchie. Een dergelijk veld kan worden gegenereerd met de parameter Path van de prefix Hierarchy.

Keuzelijst Boomstructuur

Met scheidingsteken Hiermee stelt u het teken in dat moet worden geïnterpreteerd als scheidingsteken in het pad dat wordt gebruikt voor de Boomstructuur.
Frequentie tonen Hier geeft u aan of de frequentie van een veldwaarde wel of niet moet worden getoond. Frequentie betekent het aantal selecteerbare combinaties waarin de waarde voorkomt. Deze optie is niet beschikbaar voor berekende velden.
In procenten Hier geeft u aan of de frequentie moet worden getoond in absolute aantallen of in precentages van het totale aantal gegevens.
Alternatieve status Kies een van de beschikbare statussen in de lijst. De volgende alternatieve statussen zijn altijd beschikbaar.
Overgenomen
De werkbladen en werkbladobjecten hebben altijd de status overgenomen, tenzij de QlikView-ontwikkelaar anders beslist. Deze instelling wordt overgenomen van het object op het bovenliggende niveau: een grafiek in een werkblad krijgt dezelfde instellingen als het werkblad als overgenomen wordt gekozen.
Standaardstatus
Dit is de status waarbij de meeste QlikView-activiteiten plaatsvinden. Deze wordt aangeduid met $. Het QlikView-document bevindt zich altijd in de standaardstatus.
Object-ID

Deze ID wordt gebruikt voor macrodoeleinden. Aan elk werkbladobject wordt een unieke ID toegewezen. Het is aan te bevelen in de ID alleen alfanumerieke tekens te gebruiken. Bij keuzelijsten begint de ID met LB01. Gekoppelde objecten hebben dezelfde object-ID. U kunt dit ID-nummer later bewerken.

Interne Macro Interpreter

Uitgesloten waarden in zoekopdracht betrekken In de vervolgkeuzelijst kunt u kiezen tussen Ja, Nee en <standaardinstelling gebruiken>, waarmee de standaardinstelling wordt toegepast die is opgegeven onder Gebruikersvoorkeuren: Algemeen.
Standaard zoekmodus Hier geeft u de aanvankelijke standaardzoekmodus op die moet worden gebruikt voor zoekopdrachten voor tekst. De modus kan altijd worden gewijzigd door * of ~ te typen als onderdeel van de zoektekenreeks. De volgende opties zijn beschikbaar:
<standaardinstelling> gebruiken
De standaardinstelling die bij Gebruikersvoorkeuren is opgegeven, wordt toegepast.
Zoeken met jokertekens gebruiken
De aanvankelijke zoekreeks bevat twee jokertekens met daartussen de cursor om het zoeken met jokertekens te vergemakkelijken.
Fuzzy zoeken
De aanvankelijke zoekreeks bestaat uit een tilde (~) om fuzzy te zoeken.
Normale zoekfunctie gebruiken
Er worden geen extra tekens aan de zoekreeks toegevoegd. Zonder jokertekens wordt een normale zoekopdracht uitgevoerd.
Geassocieerd zoeken gebruiken
Geassocieerd zoeken wordt gebruikt in het zoekvak.

Zoeken

Afdrukinstellingen Hier stelt u de afdrukinstellingen in voor de afdruktaak.
Alle waarden afdrukken Gewoonlijk worden er alleen mogelijke waarden in keuzelijsten afgedrukt. Als u deze optie inschakelt, worden alle waarden (ook de uitgesloten waarden) afgedrukt.
Afdrukken volgens lay-out Als u deze optie inschakelt, wordt de keuzelijst afgedrukt zoals deze op het scherm wordt weergegeven, dus met dezelfde meervoudige kolommen en selectiekleurcode van cellen, enzovoort. Dit kan bijvoorbeeld nuttig zijn bij het opnemen van keuzelijsten in rapporten.

Uitdrukkingen

Op de tab Uitdrukkingen definieert u de uitdrukkingen die moeten worden weergegeven in de keuzelijst. Elke uitdrukking wordt in een nieuwe kolom in de keuzelijst geplaatst. Links boven in het dialoogvenster ziet u een lijst met de uitdrukkingen.

Gegevens van een uitdrukking kunnen ook dynamisch worden opgemaakt met behulp van kenmerkuitdrukkingen. Klik op het uitvouwpictogram voor een uitdrukking om de kenmerkuitdrukkingen van de uitdrukking weer te geven.

Voor een bepaalde basisuitdrukking kunt u zoveel kenmerkuitdrukkingen gebruiken als u wilt en in elke combinatie. De opmaak die wordt gedefinieerd met behulp van een kenmerkuitdrukking, heeft prioriteit op de standaardopmaak voor gegevenstekeningen op het gebied van kleur en dergelijke.

Toevoegen Met deze knop opent u het dialoogvenster Uitdrukkingen bewerken waarin u nieuwe uitdrukkingen kunt maken. Deze optie is ook beschikbaar in het contextmenu dat verschijnt wanneer u met de rechtermuisknop op een uitdrukking in de lijst met uitdrukkingen klikt.
Verwijderen Hiermee verwijdert u de geselecteerde uitdrukking. De optie is ook beschikbaar in het contextmenu dat verschijnt wanneer u met de rechtermuisknop op een uitdrukking in de lijst met uitdrukkingen klikt.
Kopiëren De optie·is alleen·beschikbaar in het contextmenu dat verschijnt wanneer u met de rechtermuisknop op een uitdrukking in de lijst met uitdrukkingen klikt. Als u deze opdracht in een hoofduitdrukking gebruikt, worden alle gegevens en instellingen voor de uitdrukking (inclusief label) als XML naar het Klembord gekopieerd. De uitdrukking kan vervolgens worden teruggeplakt in hetzelfde object, of in een ander QlikView-object in het hetzelfde of een ander document. Als u de opdracht voor een kenmerkuitdrukking gebruikt, wordt alleen de definitie van de kenmerkuitdrukking gekopieerd. Een kenmerkuitdrukking kan vervolgens worden geplakt in een hoofduitdrukking in hetzelfde of een ander object.
Exporteren... De optie·is alleen·beschikbaar in het contextmenu dat verschijnt wanneer u met de rechtermuisknop op een hoofduitdrukking in de lijst met uitdrukkingen klikt. Als u deze opdracht in een hoofduitdrukking gebruikt, kunt u alle gegevens en instellingen voor de uitdrukking (inclusief label) naar een XML-bestand exporteren. De uitdrukking kan vervolgens worden teruggeïmporteerd in dezelfde grafiek, of in een andere QlikView-grafiek in het hetzelfde of een ander document. Met deze opdracht opent u het dialoogvenster Uitdrukking exporteren als, waarin u het doel voor het exportbestand kunt kiezen. Het bestand krijgt een extensie, bijvoorbeeld xml.
Plakken De optie·is alleen beschikbaar in het contextmenu dat verschijnt wanneer u met de rechtermuisknop in de lijst met uitdrukkingen klikt en een uitdrukking eerder naar het Klembord is gekopieerd. Als u een hoofduitdrukking eerder naar het Klembord hebt gekopieerd, kunt u deze in het lege gebied in de lijst met uitdrukkingen plakken. Hiermee maakt u een nieuwe uitdrukking die identiek is aan de gekopieerde uitdrukking. Als u een kenmerkuitdrukking hebt gekopieerd, kunt u deze in een hoofduitdrukking plakken.
Importeren... De optie·is alleen·beschikbaar in het contextmenu dat verschijnt wanneer u met de rechtermuisknop in het lege gebied in de lijst met uitdrukkingen klikt. Met deze opdracht·opent u een dialoogvenster waarin u kunt bladeren naar eerder geëxporteerde uitdrukkingen. De geïmporteerde uitdrukking wordt als een nieuwe hoofduitdrukking in de grafiek weergegeven.
Naar boven Hiermee verplaatst u de geselecteerde uitdrukking een plaats omhoog in de lijst. Klik op deze knop om de volgorde van de uitdrukkingen te wijzigen.
Naar beneden Hiermee verplaatst u de geselecteerde uitdrukking een plaats omlaag in de lijst. Klik op deze knop om de volgorde van de uitdrukkingen te wijzigen.
Null-symbool Het symbool dat u hier invoert, wordt voor de weergave van null-waarden (leeg) gebruikt in de tabel.
Ontbrekend symbool Het symbool dat u hier invoert, wordt voor de weergave van ontbrekende waarden gebruikt in de tabel.
Activeren Schakel deze optie in om de geselecteerde uitdrukking te activeren. Als de optie niet is ingeschakeld, wordt de uitdrukking niet gebruikt.
Definitie Geeft de samenstelling van de geselecteerde uitdrukking weer. U kunt de uitdrukking direct in dit vak bewerken. Als u op de knop ... klikt, wordt het dialoogvenster Uitdrukking bewerken geopend.
Tonen Als Altijd is geselecteerd, wordt de uitdrukking altijd getoond in een extra kolom in de keuzelijst. Als Voorwaardelijk is geselecteerd, wordt de uitdrukking dynamisch getoond of verborgen, afhankelijk van de waarde van de voorwaarde-uitdrukking die in het bewerkingsvak rechts is opgegeven.
Uitlijning In deze groep stelt u de standaard uitlijning van de uitdrukkingen in. Tekst en getallen kunnen afzonderlijk links of rechts worden uitgelijnd of worden gecentreerd.
Weergaveopties In deze groep wordt gedefinieerd wat wordt geschreven in de uitdrukkingscellen van de keuzelijst.
Representatie De volgende opties zijn beschikbaar:
Tekst
Als u deze optie selecteert, worden de uitdrukkingswaarden altijd als tekst geïnterpreteerd en weergegeven.
Afbeelding
Als u deze optie selecteert, probeert QlikView elke uitdrukkingswaarde te interpreteren als een referentie naar een afbeelding. Deze referentie kan een pad naar een afbeeldingsbestand op schijf zijn (bijvoorbeeld C:\Foto1.jpg) of in het qvw-document zelf (bijvoorbeeld qmem://<Naam>/<Peter>). Als QlikView een uitdrukkingswaarde niet kan interpreteren als geldige afbeeldingsreferentie, wordt de waarde zelf weergegeven.
Ronde meter
Als u deze optie selecteert, geeft QlikView de uitdrukkingswaarde weer in een ronde meter. De metergrafiek wordt getoond in de beschikbare tabelcel. Klik op de knop Meterinstellingen... om de visuele instellingen voor de meter te wijzigen.
Lineaire meter
Als u deze optie selecteert, geeft QlikView de uitdrukkingswaarde weer in een horizontale lineaire meter. De metergrafiek wordt getoond in de beschikbare tabelcel. Klik op de knop Meterinstellingen... om de visuele instellingen voor de meter te wijzigen.
Verkeerslichtmeter
Als u deze optie selecteert, geeft QlikView de uitdrukkingswaarde weer in een verkeerslichtmeter. De metergrafiek wordt getoond in de beschikbare tabelcel. Klik op de knop Meterinstellingen... om de visuele instellingen voor de meter te wijzigen.
LED-meter
Als u deze optie selecteert, geeft QlikView de uitdrukkingswaarde weer in een LED-meter. De metergrafiek wordt getoond in de beschikbare tabelcel. Klik op de knop Meterinstellingen... om de visuele instellingen voor de meter te wijzigen.
Mini-grafiek
Als u deze optie selecteert, geeft QlikView de uitdrukkingswaarde weer in een minidiagram waarbij de uitdrukking wordt geaggregeerd over een extra dimensie. De grafiek wordt getoond in de beschikbare tabelcel. Klik op de knop Minigrafiekinstellingen om de minigrafiek te definiëren en visuele instellingen voor de grafiek aan te passen (zie hieronder).
Opmerking: De minigrafiek wordt niet weergegeven bij het exporteren naar Excel.
Meterinstellingen... Alleen beschikbaar als een van de meteropties hierboven is geselecteerd. Hiermee opent u een dialoogvenster waarin u de eigenschappen van de meter kunt instellen. Dit dialoogvenster is in grote lijnen gelijk aan het dialoogvenster Grafiekeigenschappen: Presentatie voor metergrafieken.
Minigrafiekinstellingen Alleen beschikbaar als Minigrafiek is geselecteerd als Weergaveoptie voor een uitdrukking in de tabel. Hiermee opent u een dialoogvenster waarin u de eigenschappen van de minigrafiek kunt instellen.
Afbeeldingsopmaak Alleen beschikbaar als een van de afbeeldingsopties hierboven is geselecteerd. Met deze instelling bepaalt u hoe een afbeelding in de cel moet worden gepast. Er zijn vier opties.
Niet uitrekken
Als u deze optie selecteert, wordt de afbeelding in de originele vorm weergegeven, zonder uitrekken. Hierdoor kunnen delen van de afbeelding onzichtbaar blijven of kan slechts een gedeelte van de cel worden opgevuld.
Opvullen
Als u deze optie selecteert, wordt de afbeelding uitgerekt om de cel op te vullen, zonder dat er rekening wordt gehouden met de hoogte/breedteverhouding van de afbeelding.
Hoogte/breedteverhouding behouden
Als u deze optie selecteert, wordt de afbeelding zo veel mogelijk uitgerekt om de cel op te vullen, waarbij de correcte hoogte/breedteverhouding van de afbeelding behouden blijft. De zijkanten of boven- en onderkant van het tekstobject worden niet door de afbeelding opgevuld.
Vullen met behoud van hoogte/breedte
Als u deze optie selecteert, wordt de afbeelding uitgerekt om de cel in beide richtingen op te vullen, waarbij de correcte hoogte/breedteverhouding van de afbeelding behouden blijft. De afbeelding wordt in één richting afgesneden.
Tekst verbergen als afbeelding ontbreekt
Als u deze optie selecteert, wordt er geen tekst voor de veldwaarde weergegeven als de interpretatie als afbeelding mislukt. De cel blijft dan leeg.

Minigrafiekinstellingen

Alleen beschikbaar als de optie Minigrafiek is geselecteerd op de pagina Uitdrukkingen van het dialoogvenster Eigenschappen van een standaard tabel. Hiermee opent u een dialoogvenster waarin u de eigenschappen van de minigrafiek kunt instellen.

Dimensie Kies de dimensie waarvoor de uitdrukking moet worden getekend.

Uiterlijk

Mode Stel de minigrafiek in als sparklijnen, stippellijnen, punten, staven of whiskers.
Kleur Hiermee opent u het dialoogvenster Kleurgebied waarin u de kleur van de minigrafiek kunt instellen.
Markeer max waarden met kleur Schakel het selectievakje in en klik op de gekleurde knop om het dialoogvenster Kleurgebied te openen waarin u de kleur voor de maximumwaarde kunt instellen.
Markeer min waarden met kleur Schakel het selectievakje in en klik op de gekleurde knop om het dialoogvenster Kleurgebied te openen waarin u de kleur voor de minimumwaarde kunt instellen.
Beginwaarden met kleur markeren Schakel het selectievakje in en klik op de gekleurde knop om het dialoogvenster Kleurgebied te openen waarin u de kleur voor de beginwaarde kunt instellen. Niet beschikbaar voor Staven en Whiskers.
Markeer eind waarden met kleur Schakel het selectievakje in en klik op de gekleurde knop om het dialoogvenster Kleurgebied te openen waarin u de kleur voor de eindwaarde kunt instellen. Niet beschikbaar voor Staven en Whiskers.
Standaard kleuren instellen Hiermee stelt u de markeerkleuren in op de standaardkleuren van QlikView.
Forceer op nul gebaseerde schalen De ondergrens van de grafiek wordt vastgezet op nul op de as. Niet beschikbaar voor whiskers.
Forceer gedeelde schaal voor Y-as Hiermee dwingt u af dat alle cellen in de kolom dezelfde schaal voor de y-as gebruiken.

Sorteren

U bereikt de tab Sorteren door met de rechtermuisknop te klikken op een werkbladobject (keuzelijst, meervoudige keuzelijst, tabel, grafiek of schuifbalk/agenda-object) en Eigenschappen te kiezen in het zwevende menu (of Object, Eigenschappen in het hoofdmenu). Hier kunt u de sorteervolgorde van de waarden in het object opgeven. Niet alle sorteeropties zijn beschikbaar voor alle objecten.

Sorteren op:

Status

De veldwaarden worden gesorteerd op hun logische status (geselecteerd, optioneel, of uitgesloten).
Met de instelling Automatisch oplopend wordt de keuzelijst (of in een meervoudige keuzelijst de vervolgkeuzelijst met de veldwaarden) alleen op Status gesorteerd als de lijst een verticale schuifbalk bevat. Als u de keuzelijst echter vergroot zodat alle waarden worden weergegeven, wordt de sorteervolgorde Status geheel uitgeschakeld.

Opmerking: Gebruik niet de volgorde Automatisch oplopend in een keuzelijst binnen een containerobject.
Uitdrukking De veldwaarden worden gesorteerd op een willekeurige uitdrukking die is ingevoerd in het tekstvak onder deze sorteeroptie. Als u sorteert op expressie, moet een alternatieve set records worden gedefinieerd door een setuitdrukking, aangezien de uitdrukking wordt berekend op geselecteerde/mogelijke waarden in de lijst en de sorteerbewerking alleen zou gelden voor de geselecteerde/mogelijke waarden in de lijst.
Opmerking: Sorteren op uitdrukking werkt alleen met numerieke velden en niet met tekstvelden.

Set-analyse en set-uitdrukkingen

Frequentie De veldwaarden worden gesorteerd op frequentie (het aantal instanties in de tabel).
Numerieke waarde De veldwaarden worden gesorteerd op hun numerieke waarde.
Tekst De veldwaarden worden gesorteerd op alfabetische volgorde.
Volgorde van laden De veldwaarden worden gesorteerd op volgorde van de eerste laadopdracht.

Met de knop Standaard wordt de standaardsorteervolgorde ingesteld.

De prioriteitsvolgorde is status, uitdrukking, frequentie, numerieke waarde, tekst en laadvolgorde. Elk van deze sorteercriteria kan oplopend of aflopend worden ingesteld.

Presentatie

U opent de tab Eigenschappen keuzelijst: Presentatie door met de rechtermuisknop op een keuzelijst te klikken en vervolgens de opdracht Eigenschappen te kiezen in het zwevende menu. Hier kunt u de opmaak van de cellen in de keuzelijst instellen.

In de groep Afbeeldingsopties kunt u een veldwaarde die een referentie bevat naar een afbeelding in het geheugen of op schijf, laten interpreteren als die afbeelding:

Onder Vertegenwoordiging kunt u kiezen tussen Tekst (standaard), Afbeelding en Info als afbeelding.

Als u Afbeelding selecteert, probeert QlikView elke veldwaarde te interpreteren als een verwijzing naar een afbeelding. Deze referentie kan een pad naar een afbeeldingsbestand op schijf zijn (bijvoorbeeld C:\Foto1.jpg) of in het qvw-document zelf (bijvoorbeeld qmem://<Naam>/<Peter>). Als QlikView een veldwaarde niet kan interpreteren als een geldige afbeeldingsreferentie, wordt de waarde zelf weergegeven, tenzij de optie Tekst verbergen als afbeelding ontbreekt is ingeschakeld.

Als u Info als afbeelding selecteert, geeft QlikView de afbeeldingsgegevens weer die aan de veldwaarde zijn gekoppeld via info load/info select in het script. Als er geen afbeeldingsgegevens beschikbaar zijn voor een veldwaarde, wordt de waarde zelf weergegeven, tenzij de optie Tekst verbergen als afbeelding ontbreekt is ingeschakeld.

Is een van de afbeeldingsopties geselecteerd, dan kunt u de instellingen onder Afbeeldingsopmaak gebruiken om de afbeelding passend te maken voor de cel.

Niet uitrekken De afbeelding wordt zonder aanpassingen weergegeven. Dit kan leiden tot problemen met de opvulling.
Opvullen De afbeelding wordt uitgerekt om de cel op te vullen. Er wordt geen rekening gehouden met de hoogte/breedteverhouding.
Hoogte/breedteverhouding behouden De afbeelding wordt zoveel mogelijk uitgerekt waarbij de correcte hoogte/breedteverhouding behouden blijft.
Vullen met behoud van hoogte/breedte De afbeelding wordt zoveel mogelijk uitgerekt waarbij de correcte hoogte/breedteverhouding behouden blijft. Gebieden die niet worden bedekt, worden gevuld door de afbeelding bij te snijden.

Als afbeeldingen worden getoond in plaats van tekst, kan het nodig zijn om een andere selectiestijl te gebruiken dan de documentstandaard zodat de logische status van de veldwaarden zichtbaar blijft. Selecteer een geschikte selectiestijl in de vervolgkeuzelijst onder Selectiestijl opheffen, bijv. Extra info hoek.

Enkele kolom Als deze optie is ingeschakeld, worden de veldwaarden van de keuzelijst altijd in één kolom gepresenteerd.
Horizontale schuifbalk weglaten Schakel deze optie in om de horizontale schuifbalk weg te laten die gewoonlijk wordt weergegeven wanneer veldwaarden te breed zijn voor de opgegeven breedte van de keuzelijst. In plaats daarvan worden veldwaarden waar nodig afgekapt.
Vast aantal kolommen Schakel deze optie in als u een vast aantal kolommen voor de keuzelijst wilt instellen. Deze optie is niet beschikbaar als Enkele kolom is ingeschakeld.
Sorteren op kolom In keuzelijsten met meer dan één kolom worden waarden per rij weergegeven in de opgegeven sorteervolgorde. Met de optie Sorteren op kolom worden de waarden per kolom weergegeven.
Celranden Hiermee worden de celwaarden door horizontale lijnen van elkaar gescheiden, zoals bij rijen van een tabel. Celranden wordt automatisch geactiveerd als de optie Celtekst met terugloop is ingeschakeld, maar moet vervolgens wellicht worden gedeactiveerd.
Zoektekenreeks
markeren
De zoektekenreeks die tot dusver in een zoekobject is ingevoerd, wordt gemarkeerd in de resultaten.
Achtergrond... Hiermee opent u het dialoogvenster Achtergrondinstellingen.
Uitlijning Hier stelt u de uitlijning van de veldwaarden in de keuzelijst in. De uitlijning van Tekst en Getallen wordt afzonderlijk ingesteld.
Instellingen voor meerdere regels In deze groep kunt u instellen dat de waarden in cellen van de keuzelijst in meerdere rijen worden weergegeven, wat vooral nuttig is bij lange teksttekenreeksen.
Celtekst met terugloop
Als deze optie is ingeschakeld, wordt de inhoud van een cel in meer dan één rij weergegeven.
Celhoogte n Regels
Hier wordt het maximale aantal celrijen opgegeven.

Achtergrondinstellingen

Kleur Als deze instelling is ingeschakeld, krijgt de achtergrond van het object een kleur. Kies een kleur door op de knop Kleur te klikken.
Kleurtransparantie Alleen beschikbaar als de kleuroptie is ingeschakeld. Hiermee stelt u de transparantie van de achtergrondkleur in.
Afbeelding Als deze instelling is ingeschakeld, bestaat de achtergrond van het object uit een afbeelding. Klik op Bladeren om een afbeelding te kiezen. Klik op Verwijderen om deze uit de achtergrond te verwijderen.
Afbeelding uitrekken Alleen beschikbaar als de afbeeldingsoptie is ingeschakeld. Met deze instelling bepaalt u hoe een afbeelding passend wordt gemaakt.
Niet uitrekken
De afbeelding wordt in de originele vorm weergegeven, zonder uitrekken. Hierdoor kunnen delen van de afbeelding onzichtbaar blijven of wordt slechts een gedeelte van de achtergrond opgevuld.
Opvullen
De afbeelding wordt uitgerekt om de achtergrond op te vullen, zonder dat er rekening wordt gehouden met de hoogte/breedteverhouding van de afbeelding.
Hoogte/breedteverhouding behouden
De afbeelding zo veel mogelijk uitgerekt om de achtergrond op te vullen, waarbij de correcte hoogte/breedteverhouding van de afbeelding behouden blijft.
Vullen met behoud van hoogte/breedte
Als u deze optie selecteert, wordt de afbeelding uitgerekt om de achtergrond aan beide kanten op te vullen, waarbij de correcte hoogte/breedteverhouding van de afbeelding behouden blijft. De afbeelding wordt in één richting afgesneden.
Horizontale uitlijning Alleen beschikbaar als de afbeeldingsoptie is ingeschakeld. De afbeelding wordt als volgt uitgelijnd: Links, Centreren of Rechts.
Verticale uitlijning Alleen beschikbaar als de afbeeldingsoptie is ingeschakeld. De afbeelding wordt als volgt uitgelijnd: Boven, Centreren of Onder.
Transparantie van afbeelding Alleen beschikbaar als de afbeeldingsoptie is ingeschakeld. Hiermee stelt u de transparantie van de achtergrondafbeelding in.

Getal

De pagina Eigenschappen: Notaties wordt geopend door met de rechtermuisknop op een werkbladobject te klikken en Eigenschappen te kiezen in het zwevende menu.

Elk veld heeft een standaardgetalnotatie die kan worden ingesteld op de pagina Documenteigenschappen: Notaties. Elk veld heeft een standaardgetalnotatie die kan worden ingesteld op de pagina Documenteigenschappen: Getal. Het is echter ook mogelijk een aparte getalnotatie toe te passen op een afzonderlijk object. Dit doet u door de optie Documentinstellingen opheffen in te schakelen en een getalnotatie aan te geven in de groep eronder. Deze eigenschappenpagina is van toepassing op het actieve object en bevat de volgende opmaakopties:

Gemengd Zowel getallen als tekst. Getallen worden weergegeven in de oorspronkelijke opmaak.
Getal Numerieke waarden worden weergegeven met het aantal cijfers dat is ingesteld in het ringveld Precisie.
Geheel getal Numerieke waarden worden weergegeven als hele getallen.
Vast aan Numerieke waarden worden weergegeven als decimale waarden met het aantal decimalen dat is ingesteld in het ringveld Decimalen.
Geld Waarden worden weergegeven in de notatie die is ingesteld in het tekstvak Opmaakpatroon. Een voorbeeld van de notatie wordt getoond in het tekstvak Voorbeeld. De standaardnotatie is de valuta-instelling van Windows.
Datum Waarden die kunnen worden geïnterpreteerd als datum, worden weergegeven in de notatie die is ingesteld in het tekstvak Opmaakpatroon. Een voorbeeld van de notatie wordt getoond in het tekstvak Voorbeeld.
Tijd Waarden die kunnen worden geïnterpreteerd als tijd, worden weergegeven in de notatie die is ingesteld in het tekstvak Opmaakpatroon. Een voorbeeld van de notatie wordt getoond in het tekstvak Voorbeeld.
Tijdsstempel Waarden die kunnen worden geïnterpreteerd als datum + tijd, worden weergegeven in de notatie die is ingesteld in het tekstvak Opmaakpatroon. Een voorbeeld van de notatie wordt getoond in het tekstvak Voorbeeld.
Interval De tijd wordt weergegeven als sequentieel tijdincrement (als notatie = mm wordt de waarde bijvoorbeeld weergegeven als het aantal verstreken minuten sinds het begin van de kalender ( 1899:12:30:24:00).
In percentage (%) tonen Dit selectievakje heeft invloed op de volgende opmaak: Getallen, Geheel getal en Vast.

U kunt scheidingstekens voor Decimaal en Duizend instellen in de tekstvakken van de groep Scheidingstekens.

Met de knop ISO wordt de ISO-standaard voor de notatie van datum, tijd en tijdsstempel gebruikt.

Met de knop Systeem worden de notatie-instellingen van het systeem toegepast.

Met de knop Documentopmaak wijzigen opent u de pagina Documenteigenschappen: Notaties waar de standaardgetalnotatie van elk veld kan worden bewerkt.

Lettertype

Hier kunt u opties instellen voor Lettertype, Tekenstijl en Punten van het lettertype voor het object.

U kunt het lettertype instellen voor elk afzonderlijk object (Eigenschappen object: Lettertype), of alle objecten in een document (Toepassen op objecten op Documenteigenschappen: Lettertype).

Verder kunt u de standaard documentlettertypen voor nieuwe objecten instellen op Documenteigenschappen: Lettertype. Er zijn twee standaard lettertypen:

  1. Het eerste standaard lettertype (Keuzelijsten, Grafieken enz.) wordt gebruikt voor de meeste objecten, zoals keuzelijsten en grafieken.
  2. Het tweede standaard lettertype (Tekstobjecten en -knoppen) wordt gebruikt voor knoppen en tekstvakken, waarvoor meestal een groter lettertype nodig is.

Ten slotte kunt u de standaard lettertypen voor nieuwe documenten instellen op Gebruikersvoorkeuren: Lettertype.

Voor grafieken, knoppen en tekstobjecten (behalve zoekobjecten) kunt u ook een kleur opgeven. De kleur kan vast zijn of dynamisch worden berekend aan de hand van een uitdrukking. De uitdrukking moet een geldige kleurrepresentatie opleveren. Hiertoe kunt u de kleurfuncties gebruiken. Als het resultaat van de uitdrukking geen geldige kleurweergave oplevert, wordt standaard zwart gebruikt als kleur voor het lettertype.

Kleurfuncties

Aanvullende instellingen zijn:

Slagschaduw Als u deze optie inschakelt, wordt een slagschaduw aan de tekst toegevoegd.
Onderstrepen Als u deze optie inschakelt, wordt de tekst onderstreept.

Een voorbeeld van het geselecteerde lettertype is te zien in het voorbeeldvenster.

Opmaak

Een opmaakinstelling is alleen van toepassing op het huidige object als u werkt via de eigenschappenpagina voor een object.
Een opmaakinstelling is van toepassing op alle objecten van een of meer opgegeven typen in het document als u werkt via de eigenschappenpagina voor het document.

Randen gebruiken

Als u deze optie inschakelt, kunt u een rand om het object maken. U kunt het soort rand opgeven door een optie te kiezen in het vervolgkeuzemenu.

Schaduwintensiteit Met de vervolgkeuzelijst Schaduwintensiteit kunt u de intensiteit instellen van de schaduw rond de werkbladobjecten. Ook kunt u Geen schaduw kiezen.
Randstijl De volgende vooraf gedefinieerde randtypen zijn beschikbaar:
Ononderbroken
Een ononderbroken rand in één kleur.
Verlaagd
Met deze rand lijkt het werkbladobject te zijn verlaagd ten opzichte van de achtergrond.
Verhoogd
Met deze rand lijkt het werkbladobject te zijn verhoogd ten opzichte van de achtergrond.
Omrand
Met deze rand lijkt het werkbladobject te zijn ingelijst.
Randbreedte Deze optie is beschikbaar voor alle randtypen. De breedte kan worden opgegeven in mm, cm, inches (", inch), pixels (px, pxl, pixel), punten (pt, pts, point) of docunits (du, docunit).
Kleur Met deze knop opent u een dialoogvenster, waarin u voor alle randtypen een geschikte basiskleur uit het kleurenpalet kunt kiezen.
Regenboog Hiermee kunt u voor alle randtypen een regenboogeffect creëren. De regenboog wordt aan de bovenkant van het object vanuit de basiskleur opgebouwd.

Als u Vereenvoudigd hebt gekozen voor Opmaakmodus in Documenteigenschappen: Algemeen, kunt u geen randtype instellen. Dan worden alleen de vervolgkeuzelijst Schaduwintensiteit en de instelling Randbreedte aangeboden.

Afgeronde hoeken

In de groep Afgeronde hoeken kunt u instellingen opgeven voor de algemene vorm van het object. Met behulp van deze instellingen kunt u objecten weergeven met ronde of ellipsvormige hoeken tot superellipsvormig en rechthoekig. Afgeronde hoeken is alleen beschikbaar als u Geavanceerd als Opmaakmodus hebt geselecteerd in Documenteigenschappen: Algemeen.

Afgeronde hoeken Schakel deze optie in om de opties voor afgeronde hoeken beschikbaar te maken.
Hoeken Hoeken waarvoor de optie niet is ingeschakeld, krijgen een rechte hoek.
Kwadraatheid Een variabel nummer tussen 2 en 100, waarbij 100 een rechthoek definieert met perfect vierkante hoeken en 2 met een perfecte ellipsvorm (een cirkel met een aspectverhouding van 1:1). Een hoekigheid tussen 2 en 5 is doorgaans optimaal voor afgeronde hoeken.
Hoekradius Hier geeft u de radius van de hoeken op, als vaste afstand (Vast) of als percentage van het totale kwadrant (Relatief (%)). Met deze instelling bepaalt u de mate waarin de hoeken worden beïnvloed door de onderliggende algemene vorm die bij Hoekigheid is ingesteld. De afstand kan worden opgegeven in mm, cm, inches (", inch), pixels (px, pxl, pixel), punten (pt, pts, point) of docunits (du, docunit).

Laag

In de groep Laag kunt u aan het object één van de drie werkbladlagen toekennen:

Bottom Een object met de laageigenschap Onderste kan nooit objecten in de lagen Normaal en Bovenste bedekken. Het kan alleen boven andere objecten in de laag Onderste worden geplaatst.
Normaal Bij aanmaak worden objecten standaard in de normale (middelste) laag geplaatst. Een object met de laageigenschap Normaal kan nooit worden bedekt door objecten in de laag Onderste en kan zelf nooit objecten in de laag Bovenste bedekken.
Top Een object in de laag Bovenste kan nooit worden bedekt door objecten in de lagen Normaal en Onderste. Alleen andere objecten in de laag Bovenste kunnen erboven worden geplaatst.
Aangepast De lagen Bovenste, Normaal en Onderste komen overeen met respectievelijk de interne laagnummers 1, 0 en -1. Alle waarden tussen -128 en 127 worden echter geaccepteerd. Kies deze optie als u een zelfgekozen waarde binnen dit bereik wilt opgeven.

Thema-editor...

Hiermee opent u de wizard Thema's waarin u een nieuw opmaakthema kunt maken.

Thema toepassen...

U kunt een opmaakthema toepassen op het object, werkblad of document.

Opmaakthema's

Tonen

In de groep Tonen kunt u een voorwaarde aangeven waaronder het object wordt getoond:

Altijd Het werkbladobject wordt altijd getoond.
Voorwaardelijk

Het werkbladobject wordt getoond of verborgen, afhankelijk van een voorwaardelijke uitdrukking die voortdurend wordt geëvalueerd, bijvoorbeeld op basis van gemaakte selecties etc. Het werkbladobject wordt alleen verborgen als de voorwaarde FALSE retourneert.

Voorwaardenfuncties

Opmerking:

Gebruikers met beheerdersbevoegdheden voor het document kunnen alle voorwaarden voor tonen opheffen met behulp van de optie Alle werkbladen en objecten tonen in Documenteigenschappen: Beveiliging. Deze functionaliteit kan worden in- of uitgeschakeld door op Ctrl+Shift+S te drukken.

Documenteigenschappen: Beveiliging

Opties

In de groep Opties kunt u de mogelijkheid tot het wijziging van positie of grootte van het werkbladobject uitschakelen. De instellingen in deze groep zijn alleen van toepassing als de bijbehorende selectievakjes zijn ingeschakeld in Documenteigenschappen: Opmaak en Werkbladeigenschappen: Beveiliging.

Positie/grootte wijzigen toestaan Als deze optie is uitgeschakeld, kan niet langer de positie of de grootte van een werkbladobject worden gewijzigd.
Kopiëren/klonen toestaan Als deze optie is uitgeschakeld, kan niet langer een kopie van het werkbladobject worden gemaakt.
Info toestaan

Wanneer de functie info in gebruik is, wordt een infopictogram weergegeven in de venstertitelbalk wanneer aan een veldwaarde informatie is gekoppeld. Als u geen infopictogram wilt weergeven in de titelbalk, kunt u deze optie uitschakelen.

Info

Omvang in gegevens In principe worden de randen van alle tabelobjecten in QlikView verkleind als de tabel door bepaalde selecties kleiner wordt dan de ruimte die eraan toegewezen is. Als u deze optie uitschakelt, wordt deze automatische formaataanpassing uitgeschakeld en wordt de overtollige ruimte leeg gelaten.

Schuifbalken

Verschillende opties voor het wijzigen van de opmaak van schuifbalken vindt u in de groep Schuifbalken:

Schuifpositie behouden

Als deze instelling is ingeschakeld, behoudt QlikView zo mogelijk de schuifpositie van tabellen en grafieken met een schuifbalk wanneer een selectie wordt gemaakt in een ander object. De instelling moet ook worden ingeschakeld in Gebruikersvoorkeuren: Objecten.

De schuifpositie blijft niet bewaard als u het document sluit.

Schuifknoppen Hier stelt u de kleur van de schuifknoppen in. Selecteer een kleur door op de knop te klikken. Middelgrijze kleuren zijn overigens zeer geschikt voor schuifbalken. Beide kunt u instellen als effen kleur of als kleurovergang in het dialoogvenster Kleurgebied. U opent dit venster door te klikken op de betreffende knop.
Achtergrond schuiven

Hier stelt u de achtergrondkleur van de schuifbalken in. Selecteer een kleur door op de knop te klikken.

Schuifbalkbreedte Deze instelling wordt toegepast op de breedte en de relatieve grootte van de schuifbalksymbolen.
Schuifstijl

Hier stelt u de stijl van de schuifbalken in. Selecteer een stijl in de vervolgkeuzelijst. De schuifstijl Klassiek komt overeen met de schuifbalkstijl in QlikView 4/5. De schuifstijl Standaard is moderner. De derde stijl is Licht. Deze heeft een dunnere, lichtere balk.

De schuifbalkstijl is alleen zichtbaar als de Opmaakmodus is ingesteld op Geavanceerd. U vindt deze instelling door het vervolgkeuzemenu Instellingen te openen, Documenteigenschappen te selecteren en naar het tabblad Algemeen te gaan.

Toepassen op... Hiermee opent u het dialoogvenster Eigenschappen titelbalk en rand, waarin u kunt instellen waarop de eigenschappen moeten worden toegepast die u instelt op de pagina Opmaak.

Titelbalk

Een titelbalkinstelling is alleen van toepassing op het huidige object als u werkt via de pagina Objecteigenschappen.
Een titelbalkinstelling is van toepassing op alle objecten van een of meer opgegeven typen in het document als u werkt via de pagina Documenteigenschappen.

Geef op de pagina Titelbalk opmaakopties op die volledig afwijken van de algemene opmaak van het object.

Titelbalk tonen Als deze optie is ingeschakeld, wordt aan de bovenkant van elk object een titelbalk weergegeven. De titelbalk is standaard ingeschakeld bij keuzelijsten en andere objecten met een vak, en uitgeschakeld bij knoppen, tekstobjecten en lijnen/pijlen.
Titeltekst In het tekstvak kunt u een titel invoeren die op de titelbalk van het object wordt weergegeven. Gebruik de knop Lettertype... om het lettertype van de titelbalk te wijzigen.

U kunt voor elke status van de titelbalk een verschillende kleur instellen. De instellingen voor Actieve kleuren en Inactieve kleuren kunnen onafhankelijk van elkaar worden uitgevoerd.

Klik op de knop Achtergrondkleur of Tekstkleur om het dialoogvenster Kleurgebied te openen. De achtergrondkleur kan worden gedefinieerd als een effen kleur of een kleurovergang in het dialoogvenster Kleurgebied. Voor Tekstkleur kan een vaste of een berekende kleur worden gedefinieerd met behulp van kleurfuncties.

Kleurfuncties

Tekstterugloop Als deze optie is ingeschakeld, wordt de titel weergegeven op twee of meer regels.
Titelbalkhoogte (regels) U stelt het aantal titelbalkregels in dit tekstvak in.

U kunt de exacte grootte en positie van een normaal of geminimaliseerd QlikView-object bepalen en aanpassen met de instellingen voor grootte en positie. Deze instellingen worden gemeten in pixels:

X-pos. Hiermee stelt u de horizontale positie van de linkerzijde van het werkbladobject in ten opzichte van de linkerrand van het werkblad.
Y-pos. Hiermee stelt u de verticale positie van de bovenzijde van het werkbladobject in ten opzichte van de bovenrand van het werkblad.
Breedte Hiermee stelt u de breedte van het QlikView-werkbladobject in.
Hoogte Hiermee stelt u de hoogte van het QlikView-werkbladobject in.

U kunt de positie van de titelbalk wijzigen met de opties voor Titelbalkuitlijning:

Horizontaal Het label kan horizontaal worden uitgelijnd: Links, Centreren of Rechts binnen het titelbalkgebied.
Verticaal Het label kan verticaal worden uitgelijnd: Boven, Centreren of Onder binnen het titelbalkgebied.

Speciale pictogrammen
Veel opdrachten in het objectmenu van werkbladobjecten kunnen ook als pictogrammen op de titelbalk worden weergegeven. Selecteer de opdrachten die als pictogrammen moeten worden weergeven door de selectievakjes links van de betreffende opdrachten in de lijst in te schakelen.

Opmerking: Stel een beperkt aantal pictogrammen in voor de titelbalk. Te veel pictogrammen zijn verwarrend voor de gebruiker.
Minimaliseren toestaan Als deze optie is ingeschakeld, wordt een pictogram voor minimaliseren weergegeven in de venstertitelbalk van het werkbladobject, op voorwaarde dat het object geminimaliseerd kan worden. Ook kan het object worden geminimaliseerd door op de titelbalk te dubbelklikken.
Automatisch minimaliseren Deze optie is beschikbaar als Minimaliseren toestaan is ingeschakeld. Wanneer Automatisch minimaliseren is ingeschakeld voor diverse objecten op hetzelfde werkblad, worden ze telkens allemaal op één na automatisch geminimaliseerd. Dit is bijvoorbeeld nuttig als u verschillende grafieken in hetzelfde werkbladgebied afwisselend wilt weergeven.
Maximaliseren toestaan Als deze optie is ingeschakeld, wordt een pictogram voor maximaliseren weergegeven in de venstertitelbalk van het werkbladobject, op voorwaarde dat het object gemaximaliseerd kan worden. Ook kan het object worden gemaximaliseerd door op de titelbalk te dubbelklikken. Als zowel Minimaliseren toestaan als Maximaliseren toestaan zijn ingeschakeld, wordt bij dubbelklikken het object geminimaliseerd.
Help-tekst

Hier kunt u een Help-tekst invoeren voor weergave in een pop-upvenster. De Help-tekst kan worden opgegeven als berekende formule. Deze optie is niet beschikbaar op documentniveau. Klik op de knop ... om het dialoogvenster Uitdrukking bewerken te openen. Hierin kunt u lange formules eenvoudiger bewerken.

Uitdrukkingssyntaxis voor berekende formules

U kunt bijvoorbeeld een omschrijving invoeren van het werkbladobject. Een Help-pictogram wordt toegevoegd aan de venstertitelbalk van het object. Wanneer de muisaanwijzer over het pictogram beweegt, wordt de tekst in een pop-upvenster weergegeven.

Eigenschappen titelbalk en rand

In het dialoogvenster Eigenschappen titelbalk en rand stelt u in op welke objecten in het document de eigenschappen voor titelbalk en rand moeten worden toegepast.

Eigenschappen toepassen op... Schakel deze optie in als u de instellingen wilt toepassen op ander objecten dan het huidige object.
1. Kies een van deze opties:
Objecten op dit werkblad
Hiermee worden de instellingen alleen toegepast op het huidige werkblad. Alleen beschikbaar als dit dialoogvenster is geopend vanuit de pagina Opmaak van een werkbladobject.
Objecten in dit document
Hiermee worden de instellingen toegepast op objecten van het hele document.
2. Kies een van deze opties:
Alleen dit objecttype
Hiermee worden de instellingen toegepast op alle objecten van dit type. Alleen beschikbaar als dit dialoogvenster is geopend vanuit de pagina Opmaak van een werkbladobject.
Alle objecttypen
Hiermee worden de instellingen toegepast op alle objecten.
Als standaard instellen voor nieuwe objecten in dit document Schakel deze optie in als u de instellingen wilt gebruiken als standaardinstellingen voor alle nieuwe objecten in het huidige document. Alleen beschikbaar als dit dialoogvenster is geopend vanuit de pagina Opmaak van een werkbladobject.

Keuzelijst Boomstructuur

Als een veld paden van knooppunten in een hiërarchie bevat, bijvoorbeeld World/North America/USA/California/NapaValley, kan een keuzelijst worden weergegeven als boomstructuur. De boomstructuur toont de knooppunten met inspringingen voor eenvoudigere navigatie. Bovendien kan de gebruiker knooppunten samenvouwen zodat één rij in de keuzelijst staat voor een tak in de hiërarchie en niet voor een afzonderlijk knooppunt.

U maakt selecties op de gebruikelijke wijze. Meerdere selecties over verschillende niveaus in de hiërarchie worden ondersteund.

Voor uitgevouwen knooppunten en bladeren (onderste knooppunten) wordt de standaard kleurcodering van QlikView gebruikt. Samengevouwen knooppunten kunnen echter verschillende statuswaarden bevatten. In een dergelijk geval wordt het knooppunt alleen groen weergegeven als alle waarden zijn geselecteerd. Het knooppunt is grijs als alle waarden zijn uitgesloten, en in alle andere gevallen wit. Daarnaast wordt de status van de verborgen knooppunten aangegeven door een klein baken.

Keuzelijsten en tabelobjecten maken met Direct Discovery

Keuzelijsten

Keuzelijsten kunnen worden gemaakt met velden van het type DIMENSION en MEASURE. Bij gebruik van een veld van het type MEASURE in een keuzelijstuitdrukking, moet de functie aggr() worden gebruikt voor het weergeven van de geaggregeerde waarde van het veld van he type MEASURE met een veld van het type DIMENSION. Selecties die zijn uitgevoerd met velden van het type DIMENSION in een keuzelijst genereren SQL-query's op de gegevensbron om de associatieve tabel in het geheugen te maken.

Velden van het type DETAIL zijn niet beschikbaar in keuzelijsten.

Opmerking:

Omdat in keuzelijsten alleen de unieke waarden van een veld van het type DIMENSION worden weergegeven, maakt de query die in QlikView wordt gegenereerd om gegevens in keuzelijsten weer te geven gebruik van het sleutelwoord DISTINCT om gegevens uit de database op te halen. Sommige databases vereisen echter dat de query een klasse GROUP BY bevat in plaats van het sleutelwoord DISTINCT. Als de Direct Discovery-tabel afkomstig is uit een database waarbij GROUP BY is vereist, gebruikt u de variabele DirectDistinctSupport om het standaardgedrag van de query's voor DIMENSION te wijzigen.

DirectDistinctSupport

Tabelobjecten

In tabelobjecten kunnen alle veldtypen voor Direct Discovery worden weergegeven en bestaat de mogelijkheid om een detailanalyse te maken van records die Direct Discovery-velden bevatten. Tabelobjecten zijn de enige QlikView-objecten waarin velden die zijn aangewezen als velden van het type DETAIL kunnen worden gebruikt in de laadopdracht van Direct Query .

Wanneer Direct Discovery-velden worden gebruikt in een tabelobject, wordt een drempelwaarde ingesteld om het aantal weergegeven rijen te beperken. De standaard drempelwaarde is 1000. De standaardinstelling voor de drempelwaarde kan worden gewijzigd door de variabele DirectTableBoxListThreshold in te stellen in het load-script. Bijvoorbeeld:

SET DirectTableBoxListThreshold=5000

De ingestelde drempel geldt alleen voor tabelobjecten die Direct Discovery-velden bevatten. Tabelobjecten die alleen velden in het geheugen bevatten worden niet beperkt door de instelling DirectTableBoxListThreshold .

Er worden pas velden weergegeven in de tabel nadat de selectie minder records bevat dan de drempelwaarde.

Direct Discovery-velden kunnen door elkaar worden gebruikt met velden in het geheugen in een tabelobject. Tabelobjecten die alleen Direct Discovery-objecten bevatten moeten een veld van het type DIMENSION bevatten.

In tabelobjecten met Direct Discovery-gegevens worden alle geselecteerde rijen weergegeven zelfs als zij identieke gegevens bevatten. In tabelobjecten met gegevens in het geheugen, daarentegen, wordt slechts een van de geselecteerde rijen weergegeven als deze identieke gegevens bevatten.