Invoerobject

Het invoerobject is een werkbladobject waarin u gegevens in QlikView-variabelen kunt invoeren en de bijbehorende waarden kunt weergeven.

Klik met de rechtermuisknop op het invoerobject om het invoervak te openen. Dit menu kan ook worden geopend vanuit het menu Object als het invoerobject het actieve object is.

Het invoerobject gebruiken

Het invoerobject bestaat uit drie kolommen en lijkt een beetje op de meervoudige keuzelijst. In de eerste kolom wordt een lijst variabelen getoond. De tweede kolom bevat het is-gelijkteken '=' en de derde kolom de waarden van de variabelen. Het vak kan een of meer variabelen bevatten, elk in een aparte rij.

Variabelen in QlikView zijn benoemde eenheden die slechts een enkele gegevenswaarde bevatten, in tegenstelling tot velden, die meerdere waarden kunnen bevatten (en dat meestal ook doen). Terwijl velden hun waarden verkrijgen via de scriptopdrachten load en select, verkrijgen variabelen hun waarde via de scriptopdrachten let en set, via automatiseringsoproepen of invoerobjecten in de opmaak.

Variabelen kunnen numerieke of alfanumerieke gegevens bevatten. Als het eerste teken van een variabelewaarde het isgelijkteken '=' is, probeert QlikView de waarde als formule (QlikView-uitdrukking) te interpreteren. Vervolgens wordt niet de formuletekst, maar het resultaat weergegeven of geretourneerd.

In een invoerobject wordt de huidige waarde van de variabele getoond. Als u op een waarde in het invoerobject klikt, wordt voor die cel de modus invoer bewerken ingeschakeld, zodat u een nieuwe waarde kunt invoeren of de oude kunt wijzigen. Als de variabele een formule bevat, wordt nu de formule zelf getoond, in plaats van het resultaat ervan. In de modus bewerken bevat de cel doorgaans een knop ..., waarmee een volledig bewerkingsvenster wordt geopend dat kan worden gebruikt om geavanceerde formules te maken. De functie van een variabelecel in een invoerobject kan worden vergeleken met die van een cel in een spreadsheet.

Soms bevat de variabelecel een vervolgkeuzelijstpictogram, waarmee u snel toegang krijgt tot recentelijk gebruikte waarden of voorgedefinieerde waarden. Voor een variabele kan een invoerbeperking gelden, zodat waarden die niet aan de voorwaarden voldoen, niet als invoer worden geaccepteerd. In bepaalde gevallen kan aan een variabele in een invoerobject de modus Alleen-lezen zijn toegekend, en kan de variabele niet worden bewerkt.

Menu Object

Het menu Object van invoerobjecten wordt geopend door met de rechtermuisknop op het object te klikken. Dit menu bevat de volgende opdrachten:

Eigenschappen... Hiermee wordt de pagina Eigenschappen invoerobject geopend, waarin u de parameters ervan kunt instellen.
Opmerkingen

Hiermee kunt u opmerkingen maken en uitwisselen over het huidige object.

Notities en opmerkingen

Volgorde

Dit submenu is alleen beschikbaar als de opdracht Ontwerpraster van het menu Beeld is geactiveerd of als de optie Altijd opmaakmenu-opdrachten tonen onder Gebruikersvoorkeuren: Ontwerp is ingeschakeld. Het menu bevat vier opdrachten voor het instellen van de opmaaklaag van de werkbladobjecten. Geldige laagnummers zijn -128 tot en met 127.

Naar bovenste laag
Hiermee stelt u de opmaaklaag van het object in op de hoogste waarde die momenteel wordt gebruikt door een werkbladobject op het huidige werkblad.

Naar onderste laag
Hiermee stelt u de opmaaklaag van het object in op de laagste waarde die momenteel wordt gebruikt door een werkbladobject op het huidige werkblad.

Een laag hoger
Hiermee verhoogt u het nummer van de opmaaklaag van het werkbladobject met één. De maximumwaarde is 127.

Een laag terug
Hiermee verlaagt u het nummer van de opmaaklaag van het werkbladobject met één. De laagste waarde is -128.


Afdrukken... Hiermee opent u het dialoogvenster Afdrukken waarin u de afdrukinstellingen kunt opgeven.
Afdrukken als PDF...

Hiermee wordt het dialoogvenster Afdrukken geopend waarin de printer PDF-XChange 3.0 al is geselecteerd. Nadat u op de knop Afdrukken hebt geklikt, wordt om een bestandsnaam voor het PDF-uitvoerbestand gevraagd. Deze opdracht is alleen beschikbaar als er een PDF-printer beschikbaar is op het systeem.

Verzenden naar Excel De waarden in het invoerobject worden geëxporteerd naar Microsoft Excel, dat automatisch wordt gestart als het programma nog niet geopend is. De geëxporteerde waarden verschijnen in een nieuw Excel-werkblad. Voor deze functionaliteit moet Microsoft Microsoft Excel 2007 of hoger op de computer zijn geïnstalleerd.
Exporteren...

Er wordt een dialoogvenster geopend waar u de inhoud van het huidige invoerobject naar een bestand van uw keuze kunt exporteren. Het bestand kan in een van de volgende indelingen worden opgeslagen: Door komma gescheiden, Door puntkomma gescheiden, Door tab gescheiden, Hypertext (HTML), XML en Excel (xls of xlsx). De standaardindeling is *.qvo (QlikViewOutput), een door tabs gescheiden bestand.

Naar het Klembord kopiëren Dit trapsgewijze menu bevat de verschillende kopieeropties voor het werkbladobject.
Gegevens
De gegevensrijen in het invoerobject worden naar het Klembord gekopieerd. 
Celwaarde
De tekstwaarde van de cel in het invoerobject waarop met de rechtermuisknop wordt geklikt, wordt naar het Klembord gekopieerd (bij het openen van het menu Object).
Afbeelding
Hiermee kopieert u een afbeelding van het werkbladobject naar het Klembord. In de afbeelding zijn de titelbalk en randen van het werkbladobject wel of niet opgenomen, afhankelijk van de instellingen op de pagina Gebruikersvoorkeuren: Exporteren.
Object
Hiermee wordt het gehele werkbladobject naar het Klembord gekopieerd, waarna u dit elders in de opmaak kunt plakken, of in een ander document dat binnen het huidige exemplaar van QlikView is geopend.
Gekoppelde objecten

Er wordt een menu geopend met de volgende opdrachten voor gekoppelde objecten.
Positie van gekoppelde objecten aanpassen
Alle gekoppelde objecten op alle werkbladen krijgen dezelfde positie en grootte als de gemarkeerde objecten.
Koppeling van dit object opheffen/Koppeling van objecten opheffen
De koppeling tussen de objecten wordt verbroken, waardoor er verschillende objecten met verschillende object-ID's ontstaan.

Minimaliseren Hiermee wordt het object verkleind tot een pictogram. Klikken op het pictogram op de titelbalk van het object (indien weergegeven) heeft hetzelfde effect. Deze opdracht is alleen beschikbaar als minimaliseren is toegestaan in het dialoogvenster Eigenschappen van het object op de pagina Titelbalk.
Maximaliseren Het object wordt vergroot om het werkblad op te vullen. Klikken op het pictogram op de titelbalk van het object (indien weergegeven) heeft hetzelfde effect. Deze opdracht is alleen beschikbaar als maximaliseren is toegestaan in het dialoogvenster Eigenschappen van het object op de pagina Titelbalk.
Herstellen Hiermee herstelt u het vorige formaat en de vorige locatie van een geminimaliseerd of gemaximaliseerd object. Dubbelklikken op het pictogram van een geminimaliseerd object of klikken op het pictogram op de titelbalk van het object (indien weergegeven) heeft hetzelfde effect. Deze opdracht is alleen beschikbaar voor geminimaliseerde of gemaximaliseerde objecten.
Help Hiermee wordt de QlikView Help geopend.
Verwijderen Hiermee wordt het geselecteerde werkbladobject van het werkblad verwijderd.

Algemeen

U opent de pagina Eigenschappen invoerobject : Algemeen door met de rechtermuisknop op een invoerobject te klikken en vervolgens Eigenschappen te kiezen in het zwevende menu. Hier kunt u de algemene parameters instellen van het invoerobject.

Titel

De tekst die moet worden weergegeven in de titelbalk van het invoerobject. De titel kan worden gedefinieerd als een berekende uitdrukking. De tekst van het label wordt dan dynamisch bijgewerkt. Klik op de knop ... om het dialoogvenster Uitdrukking bewerken te openen. Hierin kunt u lange formules eenvoudiger bewerken.

Uitdrukkingssyntaxis voor berekende formules

Beschikbare variabelen In deze kolom worden alle beschikbare variabelen weergegeven. Schakel de optie Systeemvariabelen tonen in als u de systeemvariabelen wilt opnemen. Selecteer de te gebruiken/verwijderen items door erop te klikken. Gebruik de knop Toevoegen > of de knop < Verwijderen om de items naar de gewenste kolom te verplaatsen.
Systeemvariabelen tonen De systeemvariabelen worden weergegeven in de lijst Beschikbare variabelen.
Nieuwe variabele Hiermee wordt het dialoogvenster Nieuwe variabele geopend, waarin een aangepaste variabele kan worden opgegeven.
Weergegeven variabelen In deze kolom worden de variabelen getoond die in het invoerobject moeten worden weergegeven. Aanvankelijk is de kolom leeg.
Naar boven Een variabele schuift een plaats naar boven in de weergavevolgorde.
Naar beneden Een variabele schuift een plaats naar beneden in de weergavevolgorde.
Label

Hier kunt u een alternatieve naam als variabele titel in het invoerobject opgeven. Het label kan worden gedefinieerd als een berekende uitdrukking die dynamisch wordt bijgewerkt. Klik op de knop ... om het dialoogvenster Uitdrukking bewerken te openen. Hierin kunt u lange formules eenvoudiger bewerken.

Uitdrukkingssyntaxis voor berekende formules

Alternatieve status Kies een van de beschikbare statussen in de lijst. De volgende alternatieve statussen zijn altijd beschikbaar.
Overgenomen
De werkbladen en werkbladobjecten hebben altijd de status overgenomen, tenzij de QlikView-ontwikkelaar anders beslist. Deze instelling wordt overgenomen van het object op het bovenliggende niveau: een grafiek in een werkblad krijgt dezelfde instellingen als het werkblad als overgenomen wordt gekozen.
Standaardstatus
Dit is de status waarbij de meeste QlikView-activiteiten plaatsvinden. Deze wordt aangeduid met $. Het QlikView-document bevindt zich altijd in de standaardstatus.
Object-ID

De object-ID wordt gebruikt voor macrodoeleinden. Aan elk werkbladobject wordt een unieke ID toegekend. Voor invoerobjecten begint deze bij IB01. Gekoppelde werkbladobjecten hebben dezelfde object-ID. U kunt dit ID-nummer later bewerken.

Interne Macro Interpreter

Presentatie

Variabelen Hier worden alle variabelen in het huidige invoerobject weergegeven. Als u een variabelenaam in deze lijst selecteert, kunt u de eigenschappen van deze variabele wijzigen.
Is-gelijkteken tonen Schakel dit selectievakje uit als u niet wilt dat het is-gelijkteken wordt weergegeven in het Invoerobject. Dit is een algemene instelling die wordt toegepast op alle variabelen.
Achtergrond... Hiermee opent u het dialoogvenster Achtergrondinstellingen.
Uitlijning U kunt de uitlijning van de variabelen instellen. U kunt elke variabele afzonderlijk instellen op links of rechts uitlijnen of centreren.
Rijkleuren In deze groep kunt u afzonderlijke kleurinstellingen opgeven voor de rij die u hebt geselecteerd in de lijst Variabelen aan de linkerzijde.
Achtergrond
Hier geeft u de achtergrondkleur van de geselecteerde rij op. U kunt deze kleur instellen als effen kleur of als kleurovergang in het dialoogvenster Kleurgebied. U opent dit venster door te klikken op de knop.
Tekst
Hier geeft u de tekstkleur van de geselecteerde rij op.
Op alle rijen toepassen
Schakel dit selectievakje in voordat u op Toepassen of OK klikt, als u de geselecteerde kleuren op alle rijen in het invoerobject wilt toepassen.

Beperkingen

U kunt de pagina Eigenschappen invoerobject: Beperkingen openen door met de rechtermuisknop op een invoerobject te klikken en vervolgens Eigenschappen te kiezen in het zwevende menu. De variabelen die zijn toegevoegd aan Weergegeven variabelen op de pagina met eigenschappen van het invoerobject, worden weergegeven in de lijst Variabelen op het tabblad Beperkingen, waar deze kunnen worden gewijzigd.

De pagina Documenteigenschappen : Variabelen wordt geopend via Instellingen: Documenteigenschappen: Variabelen. De lijst met variabelen kunt u aanpassen met de optie Systeemvariabelen tonen. Met de knop kNieuw... kunt u een nieuwe variabele toevoegen aan het document. Met de knop Verwijderen wordt de geselecteerde variabele verwijderd.

In de groep Instellingen voor geselecteerde variabele wordt het tekstvak met de huidige waarde van de geselecteerde variabele weergegeven. De waarde kan worden ingevoerd als berekende formule. Klik op de knop ... om het dialoogvenster Uitdrukking bewerken te openen.

Variabelen worden gewoonlijk niet opgenomen in bladwijzers, maar hier kunt u de optie Opnemen in bladwijzers inschakelen.

In de groep Invoerbeperkingen kunt u specifieke beperkende voorwaarden opgeven waarop alle waarden worden gecontroleerd die de gebruiker in een invoerobject voor de variabele invoert. Als de waarde niet aan de opgegeven voorwaarden voldoet, wordt de waarde verworpen en kan er een foutbericht worden weergegeven. De volgende opties zijn beschikbaar:

Geen beperkingen Invoerwaarden worden niet gecontroleerd op opgegeven beperkingen.
Standaard Invoerwaarden worden gecontroleerd met betrekking tot één beperking van een aantal algemene standaardbeperkingen, welke in de vervolgkeuzelijst wordt geselecteerd. Standaard is er geen enkele beperking geselecteerd, d.w.z. dat elke willekeurige waarde in de variabele kan worden ingevoerd. U kunt slechts één van de volgende opties inschakelen: Standaard, Aangepast, Alleen vooraf gedefinieerde waarden en Alleen-lezen.
Aangepast Invoerwaarden worden gecontroleerd op een door de gebruiker opgegeven beperking. De beperking moet in het tekstvak worden ingevoerd als een QlikView-uitdrukking die Waar retourneert (een waarde niet gelijk aan nul) als de invoerwaarde acceptabel is. U kunt in de uitdrukking naar de invoerwaarde verwijzen met een dollar-teken ($).

Example:  

$>0 Met worden in het invoerobject alleen positieve getallen geaccepteerd voor de geselecteerde variabele.

U kunt naar de vorige waarde van de variabele verwijzen met de variabelenaam.

Example:  

Met $>=abc+1 als beperking voor een variabele met de naam abc, wordt in het invoerobject alleen numerieke invoer geaccepteerd met een waarde van de oude waarde plus 1.

Alleen vooraf gedefinieerde waarden Invoerwaarden worden gecontroleerd op een lijst waarden, opgegeven in de groep Vooraf gedefinieerde waarden. Alleen invoerwaarden die overeenkomen met waarden in de lijst worden geaccepteerd.
Alleen-lezen De variabele kan alleen worden gelezen. Er kunnen geen waarden worden ingevoerd.
Dialoogvenster Uitdrukking bewerken inschakelen Schakel deze optie in om het bewerken van de waarde van de variabele in het dialoogvenster Uitdrukking bewerken te activeren. Dit dialoogvenster opent u door te klikken op de knop ... die verschijnt wanneer u op de waarde zelf klikt.
Geluid bij ongeldige invoer Als u deze optie inschakelt, wordt in QlikView met geluid aangegeven dat de gebruiker een waarde probeert in te voeren die niet aan de beperkende voorwaarden voldoet.
Foutbericht

Als de gebruiker een waarde probeert in te voeren die niet aan de voorwaarde voldoet, wordt deze normaal gesproken verworpen en blijft de huidige variabelewaarde behouden. Als u deze optie inschakelt, kunt u een aangepast foutbericht opgeven dat bij foutieve invoer aan de gebruiker wordt getoond. Typ het foutbericht in het invoerobject. Dit kan worden gedefinieerd als een uitdrukking die dynamisch wordt bijgewerkt. Klik op de knop ... om het dialoogvenster Uitdrukking bewerken te openen. Hierin kunt u lange formules eenvoudiger bewerken.

Aangepaste foutberichten

Uitdrukkingssyntaxis voor berekende formules

In de groep ValueList kunt u opgeven of en hoe u een lijst met waarden voor een invoerobject wilt presenteren.

Geen lijst Er wordt geen lijst bijgehouden van eerder voor de variabele gebruikte waarden.
Weergeven _ Recente waarden De gebruiker kan gebruikmaken van een vervolgkeuzelijst met de laatst gebruikte waarden voor de geselecteerde variabele in het invoerobject. Het aantal te bewaren vorige waarden kan worden ingesteld via het vak.
Vooraf gedefinieerde waarden in keuzelijst De gebruiker kan gebruikmaken van een vervolgkeuzelijst met vooraf gedefinieerde waarden voor de geselecteerde variabele in het invoerobject.
Vooraf gedefinieerde waarden met schuiven De gebruiker kan gebruikmaken van schuiven voor de geselecteerde variabele in het invoerobject. Er kan geschoven worden tussen de vooraf gedefinieerde waarden.

In de groep Vooraf gedefinieerde waarden kunt u een lijst met vooraf gedefinieerde waarden opgeven. Deze lijst kan aan de gebruiker worden getoond als vervolgkeuzelijst en/of kan worden gebruikt om geldige variabelewaarden op te geven.

Getalvolgorde Selecteer deze optie om een lijst met vooraf gedefinieerde numerieke waarden te genereren op basis van een onderste limiet (Van) en een bovenste limiet (Tot) en een waarde voor Stap. Deze optie kan apart worden gebruikt of in combinatie met Vermelde waarden.
Vermelde waarden Als u deze optie inschakelt, kunt u een lijst met willekeurige vooraf gedefinieerde waarden opgeven. De waarden mogen numeriek of alfanumeriek zijn. Alfanumerieke waarden moeten tussen aanhalingstekens worden geplaatst (bijvoorbeeld 'abc'). De waarden worden met een puntkomma (;) van elkaar gescheiden (bijvoorbeeld 'abc';45;14.3;'xyz' ). Deze optie kan apart worden gebruikt of in combinatie met Getalvolgorde.
Opmerking In dit opmerkingenveld kan de maker van een variabele het doel en de functie ervan beschrijven.

See also:

 

Getal

U opent de pagina Eigenschappen invoerobject : Getal door met de rechtermuisknop op een invoerobject te klikken en vervolgens Eigenschappen te kiezen in het zwevende menu.

Deze eigenschappenpagina bevat opmaakinstellingen voor alle variabelen van het invoerobject. De getalnotaties kan afzonderlijk voor elke variabele worden ingesteld door een of meer variabelen te selecteren (klikken, Shift en klikken of Ctrl) en klikken in het tekstvak Variabelen.

Elk veld heeft een standaardgetalnotatie die kan worden ingesteld in de documenteigenschappen.

Documenteigenschappen: Getal

Elk veld heeft een standaardgetalnotatie die kan worden ingesteld op de pagina Documenteigenschappen: Getal. Het is echter ook mogelijk een aparte getalnotatie toe te passen op een afzonderlijk object. Dit doet u door de optie Documentinstellingen opheffen in te schakelen en een getalnotatie aan te geven in de groep eronder. Deze eigenschappenpagina is van toepassing op het actieve object en bevat de volgende opmaakopties voor variabelen:

Gemengd Zowel getallen als tekst. Getallen worden weergegeven in de oorspronkelijke opmaak.
Getal Numerieke waarden worden weergegeven met het aantal cijfers dat is ingesteld in het ringveld Precisie.
Integer Numerieke waarden worden weergegeven als hele getallen.
Vast aantal: _ Decimalen Numerieke waarden worden weergegeven als decimale waarden met het aantal decimalen dat is ingesteld in het ringveld Decimalen.
Geld Waarden worden weergegeven in de notatie die is ingesteld in het tekstvak Opmaakpatroon. Een voorbeeld van de notatie wordt getoond in het tekstvak Voorbeeld. De standaardnotatie is de valuta-instelling van Windows.
Datum Waarden die kunnen worden geïnterpreteerd als datum, worden weergegeven in de notatie die is ingesteld in het tekstvak Opmaakpatroon. Een voorbeeld van de notatie wordt getoond in het tekstvak Voorbeeld.
Tijd Waarden die kunnen worden geïnterpreteerd als tijd, worden weergegeven in de notatie die is ingesteld in het tekstvak Opmaakpatroon. Een voorbeeld van de notatie wordt getoond in het tekstvak Voorbeeld.
Tijdsstempel Waarden die kunnen worden geïnterpreteerd als datum + tijd, worden weergegeven in de notatie die is ingesteld in het tekstvak Opmaakpatroon. Een voorbeeld van de notatie wordt getoond in het tekstvak Voorbeeld.
Interval De tijd wordt weergegeven als sequentieel tijdincrement (als notatie = mm wordt de waarde bijvoorbeeld weergegeven als het aantal verstreken minuten sinds het begin van de kalender ( 1899:12:30:24:00).

De knop In percentage (%) tonen werkt met de volgende notaties: Getallen, Geheel getal en Vast aan.

U kunt scheidingstekens voor Decimaal en Duizend instellen in de tekstvakken van de groep Scheidingstekens.

Met de knop ISO wordt de ISO-standaard voor de notatie van datum, tijd en tijdsstempel gebruikt.

Met de knop Systeem worden de notatie-instellingen van het systeem toegepast.

Lettertype

Hier kunt u opties instellen voor Lettertype, Tekenstijl en Punten van het lettertype voor het object.

U kunt het lettertype instellen voor elk afzonderlijk object (Eigenschappen object: Lettertype), of alle objecten in een document (Toepassen op objecten op Documenteigenschappen: Lettertype).

Verder kunt u de standaard documentlettertypen voor nieuwe objecten instellen op Documenteigenschappen: Lettertype. Er zijn twee standaard lettertypen:

  1. Het eerste standaard lettertype (Keuzelijsten, Grafieken enz.) wordt gebruikt voor de meeste objecten, zoals keuzelijsten en grafieken.
  2. Het tweede standaard lettertype (Tekstobjecten en -knoppen) wordt gebruikt voor knoppen en tekstvakken, waarvoor meestal een groter lettertype nodig is.

Ten slotte kunt u de standaard lettertypen voor nieuwe documenten instellen op Gebruikersvoorkeuren: Lettertype.

Voor grafieken, knoppen en tekstobjecten (behalve zoekobjecten) kunt u ook een kleur opgeven. De kleur kan vast zijn of dynamisch worden berekend aan de hand van een uitdrukking. De uitdrukking moet een geldige kleurrepresentatie opleveren. Hiertoe kunt u de kleurfuncties gebruiken. Als het resultaat van de uitdrukking geen geldige kleurweergave oplevert, wordt standaard zwart gebruikt als kleur voor het lettertype.

Kleurfuncties

Aanvullende instellingen zijn:

Slagschaduw Als u deze optie inschakelt, wordt een slagschaduw aan de tekst toegevoegd.
Onderstrepen Als u deze optie inschakelt, wordt de tekst onderstreept.

Een voorbeeld van het geselecteerde lettertype is te zien in het voorbeeldvenster.

Opmaak

Een opmaakinstelling is alleen van toepassing op het huidige object als u werkt via de eigenschappenpagina voor een object.
Een opmaakinstelling is van toepassing op alle objecten van een of meer opgegeven typen in het document als u werkt via de eigenschappenpagina voor het document.

Randen gebruiken

Als u deze optie inschakelt, kunt u een rand om het object maken. U kunt het soort rand opgeven door een optie te kiezen in het vervolgkeuzemenu.

Schaduwintensiteit Met de vervolgkeuzelijst Schaduwintensiteit kunt u de intensiteit instellen van de schaduw rond de werkbladobjecten. Ook kunt u Geen schaduw kiezen.
Randstijl De volgende vooraf gedefinieerde randtypen zijn beschikbaar:
Ononderbroken
Een ononderbroken rand in één kleur.
Verlaagd
Met deze rand lijkt het werkbladobject te zijn verlaagd ten opzichte van de achtergrond.
Verhoogd
Met deze rand lijkt het werkbladobject te zijn verhoogd ten opzichte van de achtergrond.
Omrand
Met deze rand lijkt het werkbladobject te zijn ingelijst.
Randbreedte Deze optie is beschikbaar voor alle randtypen. De breedte kan worden opgegeven in mm, cm, inches (", inch), pixels (px, pxl, pixel), punten (pt, pts, point) of docunits (du, docunit).
Kleur Met deze knop opent u een dialoogvenster, waarin u voor alle randtypen een geschikte basiskleur uit het kleurenpalet kunt kiezen.
Regenboog Hiermee kunt u voor alle randtypen een regenboogeffect creëren. De regenboog wordt aan de bovenkant van het object vanuit de basiskleur opgebouwd.

Als u Vereenvoudigd hebt gekozen voor Opmaakmodus in Documenteigenschappen: Algemeen, kunt u geen randtype instellen. Dan worden alleen de vervolgkeuzelijst Schaduwintensiteit en de instelling Randbreedte aangeboden.

Afgeronde hoeken

In de groep Afgeronde hoeken kunt u instellingen opgeven voor de algemene vorm van het object. Met behulp van deze instellingen kunt u objecten weergeven met ronde of ellipsvormige hoeken tot superellipsvormig en rechthoekig. Afgeronde hoeken is alleen beschikbaar als u Geavanceerd als Opmaakmodus hebt geselecteerd in Documenteigenschappen: Algemeen.

Afgeronde hoeken Schakel deze optie in om de opties voor afgeronde hoeken beschikbaar te maken.
Hoeken Hoeken waarvoor de optie niet is ingeschakeld, krijgen een rechte hoek.
Kwadraatheid Een variabel nummer tussen 2 en 100, waarbij 100 een rechthoek definieert met perfect vierkante hoeken en 2 met een perfecte ellipsvorm (een cirkel met een aspectverhouding van 1:1). Een hoekigheid tussen 2 en 5 is doorgaans optimaal voor afgeronde hoeken.
Hoekradius Hier geeft u de radius van de hoeken op, als vaste afstand (Vast) of als percentage van het totale kwadrant (Relatief (%)). Met deze instelling bepaalt u de mate waarin de hoeken worden beïnvloed door de onderliggende algemene vorm die bij Hoekigheid is ingesteld. De afstand kan worden opgegeven in mm, cm, inches (", inch), pixels (px, pxl, pixel), punten (pt, pts, point) of docunits (du, docunit).

Laag

In de groep Laag kunt u aan het object één van de drie werkbladlagen toekennen:

Bottom Een object met de laageigenschap Onderste kan nooit objecten in de lagen Normaal en Bovenste bedekken. Het kan alleen boven andere objecten in de laag Onderste worden geplaatst.
Normaal Bij aanmaak worden objecten standaard in de normale (middelste) laag geplaatst. Een object met de laageigenschap Normaal kan nooit worden bedekt door objecten in de laag Onderste en kan zelf nooit objecten in de laag Bovenste bedekken.
Top Een object in de laag Bovenste kan nooit worden bedekt door objecten in de lagen Normaal en Onderste. Alleen andere objecten in de laag Bovenste kunnen erboven worden geplaatst.
Aangepast De lagen Bovenste, Normaal en Onderste komen overeen met respectievelijk de interne laagnummers 1, 0 en -1. Alle waarden tussen -128 en 127 worden echter geaccepteerd. Kies deze optie als u een zelfgekozen waarde binnen dit bereik wilt opgeven.

Thema-editor...

Hiermee opent u de wizard Thema's waarin u een nieuw opmaakthema kunt maken.

Thema toepassen...

U kunt een opmaakthema toepassen op het object, werkblad of document.

Opmaakthema's

Tonen

In de groep Tonen kunt u een voorwaarde aangeven waaronder het object wordt getoond:

Altijd Het werkbladobject wordt altijd getoond.
Voorwaardelijk

Het werkbladobject wordt getoond of verborgen, afhankelijk van een voorwaardelijke uitdrukking die voortdurend wordt geëvalueerd, bijvoorbeeld op basis van gemaakte selecties etc. Het werkbladobject wordt alleen verborgen als de voorwaarde FALSE retourneert.

Voorwaardenfuncties

Opmerking:

Gebruikers met beheerdersbevoegdheden voor het document kunnen alle voorwaarden voor tonen opheffen met behulp van de optie Alle werkbladen en objecten tonen in Documenteigenschappen: Beveiliging. Deze functionaliteit kan worden in- of uitgeschakeld door op Ctrl+Shift+S te drukken.

Documenteigenschappen: Beveiliging

Opties

In de groep Opties kunt u de mogelijkheid tot het wijziging van positie of grootte van het werkbladobject uitschakelen. De instellingen in deze groep zijn alleen van toepassing als de bijbehorende selectievakjes zijn ingeschakeld in Documenteigenschappen: Opmaak en Werkbladeigenschappen: Beveiliging.

Positie/grootte wijzigen toestaan Als deze optie is uitgeschakeld, kan niet langer de positie of de grootte van een werkbladobject worden gewijzigd.
Kopiëren/klonen toestaan Als deze optie is uitgeschakeld, kan niet langer een kopie van het werkbladobject worden gemaakt.
Info toestaan

Wanneer de functie info in gebruik is, wordt een infopictogram weergegeven in de venstertitelbalk wanneer aan een veldwaarde informatie is gekoppeld. Als u geen infopictogram wilt weergeven in de titelbalk, kunt u deze optie uitschakelen.

Info

Omvang in gegevens In principe worden de randen van alle tabelobjecten in QlikView verkleind als de tabel door bepaalde selecties kleiner wordt dan de ruimte die eraan toegewezen is. Als u deze optie uitschakelt, wordt deze automatische formaataanpassing uitgeschakeld en wordt de overtollige ruimte leeg gelaten.

Schuifbalken

Verschillende opties voor het wijzigen van de opmaak van schuifbalken vindt u in de groep Schuifbalken:

Schuifpositie behouden

Als deze instelling is ingeschakeld, behoudt QlikView zo mogelijk de schuifpositie van tabellen en grafieken met een schuifbalk wanneer een selectie wordt gemaakt in een ander object. De instelling moet ook worden ingeschakeld in Gebruikersvoorkeuren: Objecten.

De schuifpositie blijft niet bewaard als u het document sluit.

Schuifknoppen Hier stelt u de kleur van de schuifknoppen in. Selecteer een kleur door op de knop te klikken. Middelgrijze kleuren zijn overigens zeer geschikt voor schuifbalken. Beide kunt u instellen als effen kleur of als kleurovergang in het dialoogvenster Kleurgebied. U opent dit venster door te klikken op de betreffende knop.
Achtergrond schuiven

Hier stelt u de achtergrondkleur van de schuifbalken in. Selecteer een kleur door op de knop te klikken.

Schuifbalkbreedte Deze instelling wordt toegepast op de breedte en de relatieve grootte van de schuifbalksymbolen.
Schuifstijl

Hier stelt u de stijl van de schuifbalken in. Selecteer een stijl in de vervolgkeuzelijst. De schuifstijl Klassiek komt overeen met de schuifbalkstijl in QlikView 4/5. De schuifstijl Standaard is moderner. De derde stijl is Licht. Deze heeft een dunnere, lichtere balk.

De schuifbalkstijl is alleen zichtbaar als de Opmaakmodus is ingesteld op Geavanceerd. U vindt deze instelling door het vervolgkeuzemenu Instellingen te openen, Documenteigenschappen te selecteren en naar het tabblad Algemeen te gaan.

Toepassen op... Hiermee opent u het dialoogvenster Eigenschappen titelbalk en rand, waarin u kunt instellen waarop de eigenschappen moeten worden toegepast die u instelt op de pagina Opmaak.

Titelbalk

Een titelbalkinstelling is alleen van toepassing op het huidige object als u werkt via de pagina Objecteigenschappen.
Een titelbalkinstelling is van toepassing op alle objecten van een of meer opgegeven typen in het document als u werkt via de pagina Documenteigenschappen.

Geef op de pagina Titelbalk opmaakopties op die volledig afwijken van de algemene opmaak van het object.

Titelbalk tonen Als deze optie is ingeschakeld, wordt aan de bovenkant van elk object een titelbalk weergegeven. De titelbalk is standaard ingeschakeld bij keuzelijsten en andere objecten met een vak, en uitgeschakeld bij knoppen, tekstobjecten en lijnen/pijlen.
Titeltekst In het tekstvak kunt u een titel invoeren die op de titelbalk van het object wordt weergegeven. Gebruik de knop Lettertype... om het lettertype van de titelbalk te wijzigen.

U kunt voor elke status van de titelbalk een verschillende kleur instellen. De instellingen voor Actieve kleuren en Inactieve kleuren kunnen onafhankelijk van elkaar worden uitgevoerd.

Klik op de knop Achtergrondkleur of Tekstkleur om het dialoogvenster Kleurgebied te openen. De achtergrondkleur kan worden gedefinieerd als een effen kleur of een kleurovergang in het dialoogvenster Kleurgebied. Voor Tekstkleur kan een vaste of een berekende kleur worden gedefinieerd met behulp van kleurfuncties.

Kleurfuncties

Tekstterugloop Als deze optie is ingeschakeld, wordt de titel weergegeven op twee of meer regels.
Titelbalkhoogte (regels) U stelt het aantal titelbalkregels in dit tekstvak in.

U kunt de exacte grootte en positie van een normaal of geminimaliseerd QlikView-object bepalen en aanpassen met de instellingen voor grootte en positie. Deze instellingen worden gemeten in pixels:

X-pos. Hiermee stelt u de horizontale positie van de linkerzijde van het werkbladobject in ten opzichte van de linkerrand van het werkblad.
Y-pos. Hiermee stelt u de verticale positie van de bovenzijde van het werkbladobject in ten opzichte van de bovenrand van het werkblad.
Breedte Hiermee stelt u de breedte van het QlikView-werkbladobject in.
Hoogte Hiermee stelt u de hoogte van het QlikView-werkbladobject in.

U kunt de positie van de titelbalk wijzigen met de opties voor Titelbalkuitlijning:

Horizontaal Het label kan horizontaal worden uitgelijnd: Links, Centreren of Rechts binnen het titelbalkgebied.
Verticaal Het label kan verticaal worden uitgelijnd: Boven, Centreren of Onder binnen het titelbalkgebied.

Speciale pictogrammen
Veel opdrachten in het objectmenu van werkbladobjecten kunnen ook als pictogrammen op de titelbalk worden weergegeven. Selecteer de opdrachten die als pictogrammen moeten worden weergeven door de selectievakjes links van de betreffende opdrachten in de lijst in te schakelen.

Opmerking: Stel een beperkt aantal pictogrammen in voor de titelbalk. Te veel pictogrammen zijn verwarrend voor de gebruiker.
Minimaliseren toestaan Als deze optie is ingeschakeld, wordt een pictogram voor minimaliseren weergegeven in de venstertitelbalk van het werkbladobject, op voorwaarde dat het object geminimaliseerd kan worden. Ook kan het object worden geminimaliseerd door op de titelbalk te dubbelklikken.
Automatisch minimaliseren Deze optie is beschikbaar als Minimaliseren toestaan is ingeschakeld. Wanneer Automatisch minimaliseren is ingeschakeld voor diverse objecten op hetzelfde werkblad, worden ze telkens allemaal op één na automatisch geminimaliseerd. Dit is bijvoorbeeld nuttig als u verschillende grafieken in hetzelfde werkbladgebied afwisselend wilt weergeven.
Maximaliseren toestaan Als deze optie is ingeschakeld, wordt een pictogram voor maximaliseren weergegeven in de venstertitelbalk van het werkbladobject, op voorwaarde dat het object gemaximaliseerd kan worden. Ook kan het object worden gemaximaliseerd door op de titelbalk te dubbelklikken. Als zowel Minimaliseren toestaan als Maximaliseren toestaan zijn ingeschakeld, wordt bij dubbelklikken het object geminimaliseerd.
Help-tekst

Hier kunt u een Help-tekst invoeren voor weergave in een pop-upvenster. De Help-tekst kan worden opgegeven als berekende formule. Deze optie is niet beschikbaar op documentniveau. Klik op de knop ... om het dialoogvenster Uitdrukking bewerken te openen. Hierin kunt u lange formules eenvoudiger bewerken.

Uitdrukkingssyntaxis voor berekende formules

U kunt bijvoorbeeld een omschrijving invoeren van het werkbladobject. Een Help-pictogram wordt toegevoegd aan de venstertitelbalk van het object. Wanneer de muisaanwijzer over het pictogram beweegt, wordt de tekst in een pop-upvenster weergegeven.